Berenschots zegen

Wie maakt kunst en wie ondersteunt kunst? Dat was de vraag die deze week de gesubsidieerde kunstsector beheerste. Staatssecretaris Medy van der Laan (Cultuur) wil de 19 miljoen euro die ze op kunst gaat bezuinigen vooral weghalen bij de ondersteunende instituten, zodat de werkelijke kunst-makers ontzien worden. Deze week stuurde zij een rapport naar de Tweede Kamer waarin adviesbureau Berenschot voor haar heeft bekeken hoe zij die bezuiniging kan uitvoeren.

Van der Laan heeft Berenschot ingeschakeld omdat haar vaste raadgever, de Raad voor Cultuur, niet altijd zegt wat ze wil horen. Berenschot praat de opdrachtgever beter naar de mond: Van der Laan kan in die sector veel meer bezuinigen dan de 5,5 miljoen die ze van plan was. Zestien miljoen! Daarbij stelt Berenschot ook nog vast dat die bezuinigingen een zégen zouden zijn voor de sector, want het is daar toch maar een rommeltje.

In één klap maken Van der Laan en Berenschot van `ondersteunend' een besmet woord. Het staat ineens voor vage, bureaucratisch verhulde klaploperij.

Door helderheid en eenvoud in de ondersteunende sector te willen brengen, heeft Berenschot alleen maar voor verwarring gezorgd. Wie als ondersteunend bekend staat, loopt nu grote kans om zijn subsidie kwijt te raken. Dus haasten de ondersteunende instituten zich om te stellen dat ze juist niet ondersteunend zijn, maar ,,produceren als een gek.''

`Ondersteunend' zijn de instellingen die niet zelf kunst produceren, maar die hulp bieden aan degenen die dat wel doen. Door bijvoorbeeld raad, geld of werkruimte te bieden, of – de duidelijkste functie – door alles netjes te bewaren: archieven. Voorbeelden van ondersteunenden: het Nederlands Architectuurinstituut (Nai), MuziekGroep Nederland, het Theaterinstituut.

Puur ondersteunende instituten bestaan echter nauwelijks. Vaak hebben ze ook een exposerende of andere producerende functie. Extra verwarrend is dat allerlei opleidingen en werkplaatsen ook onder `ondersteunend' vallen. Vooral in de beeldende kunst zijn dat er veel, van echte werkplaatsen als de Ateliers tot scholen als de Rijksacademie. Daar wordt natuurlijk van alles geproduceerd. Los hiervan hebben de meeste ondersteunende instituten allerlei taken die niet eenvoudig te scheiden zijn.

Omdat beulen helder en eenvoudig willen kunnen scheiden, bedacht Berenschot een schema met verschillende `taken', waarvan sommige mogen (`cultuurondersteunend' en archiverend) en andere minder voorkeur verdienen (belangenbehartiging voor de branche, losse opdrachten). Natuurlijk past niet één instituut in dit strakke schema, Berenschot is zo handig om geen instituten met name te noemen. Hoe abstracter het model van de slachting, des te aantrekkelijker het er uitziet. Hierdoor gaapt er echter een gat tussen de werkelijkheid en het rapport. Berenschots oplossing: wie niet in zijn schema past, vliegt sowieso de Cultuurnota uit. De weerbarstige werkelijkheid moet zich maar aan Berenschot aanpassen, en niet andersom.

De zestig ondersteunende instituten krijgen momenteel 55 miljoen euro, een kwart van Van der Laans cultuurbudget. Dat is disproportioneel veel. Het is niet vreemd dat Van der Laan wil korten op vage instituten zonder duidelijke zin. En dat men her en der heus wek toekan met wat minder overhead, zal ongetwijfeld waar zijn. Maar om de kunstsector te modelleren naar de simplistische ideeën van Berenschot gaat veel te ver. Je kunt je tuin ook meteen volplempen met betonnen tegels, omdat de tuinman het zo makkelijk vindt.