Alles smaakt naar rubber

De exemplaren van Globalia vliegen in Frankrijk als warme croissantjes over de toonbank. Niet zozeer omdat de auteur, Jean-Christophe Rufin, voor een eerdere roman, Rouge Brésil, de Prix Goncourt kreeg, en ook niet omdat Globalia een hoog jongensboekgehalte heeft, maar omdat het een volstrekt anti-Amerikaanse roman is. Dat is blijkbaar waar de Franse lezer in deze tijden van gespannen Franco-Amerikaanse betrekkingen op zat te wachten.

De wereldwijde democratie `Globalia', waarvan Rufin in zijn sciencefictionverhaal het schrikbeeld schetst, is geheel en al geschoeid op Amerikaanse leest. Met name die aspecten van Amerika waar Fransen de grootste weerzin tegen hebben, blijken te domineren. Er wordt slappe koffie geschonken en het eten smaakt er naar rubber. Er heerst een gezondheidsterreur waardoor alcohol verboden is en roken een `gevaarlijke sport', die alleen in speciale clubs beoefend mag worden. Televisie, en met name reclame, regeert alles. Zelfs de gevangenissen (`centra voor Steun aan de Sociale Cohesie') zijn in Globalia gesponsord: drie van de vier muren van iedere cel bestaan uit schermen waarop de hele dag reclame te zien is.

Aan de rechten van de mens is het `recht op een lang en vervuld leven' toegevoegd, en sinds de uitvinding van een medicijn tegen Alzheimer kunnen mensen zo oud worden als ze willen. De rijksten beschikken daartoe over een aantal `vervang-klonen', die als het nodig is een lever of een nier kunnen afstaan. Onder de glazen koepels van Globalia heerst het klimaat van een Toscaans voorjaar, en bovendien zijn de kleren er `thermoregelbaar'.

Rufin heeft duidelijk plezier gehad in het bedenken van gadgets die regelrecht uit een James-Bondfilm lijken te komen, zoals Baïkals `satellietbril', waarmee hij zich in het landschap kan oriënteren zonder kaart, en die ook op `verrekijkerstand' kan. Niet minder aandacht heeft hij voor de politieke en culturele kenmerken van de schijndemocratie Globalia, waarin zowel literatuur, geschiedenis als nationaliteiten zijn afgeschaft. Men beschikt er nog slechts over een paar standaard `culturele referenties' die van hogerhand moeten worden toegekend.

Zo kan ik nog wel even doorgaan met alle aspecten van de globaliaanse samenleving beschrijven, want Rufin vertelt zóveel over deze afschrikwekkende wereld (die ergens in de 22ste eeuw moet spelen) dat zijn verhaal er nogal door wordt opgehouden. Amper hebben we kennis gemaakt met de rebelse jonge held Baïkal en zijn vriendinnetje Kate, of we belanden weer in uitvoerige beschrijvingen van wonen, werken of ontspannen in Globalia.

Het excuus voor het ondersneeuwen van het verhaal draagt Rufin zelf aan in zijn nawoord. Daarin legt hij uit dat hij weliswaar geen `zware roman à these' wilde schrijven, maar in Globalia wel twee genres wilde laten samenkomen: de historische roman en het politieke essay, om zo een romaneske vorm te geven aan zijn opvattingen. Die moeilijke opdracht in aanmerking genomen, heeft Rufin nog een verrassend leesbare roman geschreven, over Baïkal die door de `Protection sociale', een soort geheime dienst, wordt gebombardeerd tot de `Nieuwe Vijand' van Globalia. De archipel van steden onder hun koepels, die Globalia in feite is, kan alleen gedijen wanneer de burgers voortdurend in angst leven. Aangezien ze aan terrorisme inmiddels gewend zijn, is er behoefte aan een `nieuwe vijand', zo redeneren de paar rijke mannen die de feitelijke machthebbers zijn in dit land.

Bij dit alles kan je een sterk déjà-vu gevoel krijgen: Globalia lijkt in veel opzichten op 1984 van George Orwell, compleet met een opstandige en verliefde jonge held, met een misleidende vaderfiguur die toch bij het systeem blijkt te horen, en de literatuur als laatste middel van verzet. Maar schetste Orwell het beeld van een toekomstig land onder een dictatuur naar stalinistisch voorbeeld, Rufin beschrijft juist een land dat verstikt is door welvaart, comfort en commercie. Werden de `telescreens' bij Orwell gebruikt voor partijpropaganda, bij Rufin zenden ze alleen reclame uit.

Misschien heeft Rufin gelijk dat we tegenwoordig meer te duchten hebben van de dictatuur van de hebzucht dan van het socialisme. Het probleem van Globalia ligt ergens anders. Hoewel de roman zich uitspreekt tegen globalisering en veramerikanisering, en een pleidooi vormt voor het unieke en oorspronkelijke, is het zelf een voorbeeld van wat het bestrijdt. De personages zijn zo oppervlakkig en het einde zo zoetsappig, dat dit boek nog het meeste lijkt op het scenario van een Hollywoodfilm, en nergens ook maar half zo verontrustend wordt als 1984. Op die manier toont Rufin maar één ding echt aan in zijn verhaal-met-een-moraal, en dat is dat de veramerikanisering van de Franse roman in volle gang is.

Jean-Christophe Rufin: Globalia. Gallimard, 496 blz. €21,–

Een vertaling verschijnt in november bij uitgeverij Podium.