`Uitspelen nationale kaart is boemerang op welvaart' Kees Goudswaard

Het Nederlandse Europadebat gaat uitsluitend nog over de kosten van de Europese samenwerking. Maar Nederland heeft juist groot belang bij versterking van de interne Europese markt, stellen de economen Jacques Pelkmans en Kees Goudswaard. Zij werkten mee aan het rapport `Met Europa meer groei' dat deze week bij de Sociaal-Economische Raad werd gepubliceerd. Hoe bereiken we meer welvaart, is de kernvraag waar politici zich op moeten richten. Een Europees pensioenstelsel, een Europese markt voor kenniswerkers en langer werken zijn noodzakelijk wil Europa niet afglijden. Het sociale gebouw kraakt in zijn voegen. Als het tij niet keert gaat Europa het stagnerende Japan achterna.

`Europeanen zijn bang dat door de komst van tien nieuwe lidstaten in de Europese Unie de sociale stelsels onder druk worden gezet. Die angst is onterecht. De Europese integratie heeft er steeds toe geleid dat armere lidstaten zoals Spanje en Portugal economisch sterker werden en zodoende meer geld hadden om betere sociale voorzieningen op te bouwen. De West-Europese lidstaten met de betere stelsels hebben niet ingeleverd. Economische convergentie leidt tot sociale convergentie''

Dat zegt Kees Goudswaard, hoogleraar Economie bij de Universiteit van Leiden. Goudswaard is lid van de commissie van onafhankelijke sociaal-economische deskundigen van de Sociaal-Economische Raad (SER), die deze week het rapport `Met Europa meer groei' publiceerde.

In het rapport, dat op verzoek van SER-voorzitter Wijffels is gemaakt, worden een keur aan voorstellen gedaan om blokkades op te heffen, die de werking van de interne markt belemmeren. Zo moeten de restricties die werknemers uit de nieuwe Europese lidstaten in Oost-Europa (en Malta en Cyprus) zijn opgelegd zo snel mogelijk worden afgebroken, vindt de commissie. Nederland heeft een overgangstermijn van twee jaar ingesteld, Duitsland en Oostenrijk als grenslanden liefst zeven jaar.

,,Deze hindernissen kunnen niet snel genoeg verdwijnen'', zegt Goudswaard. Bovendien is het volgens hem prima dat de Midden-Europese landen concurreren op lage loonkosten. ,,Dat komt de West-Europese economie uiteindelijk ook ten goede. De sociale stelsels moeten wel aangepast worden om de deelname aan het arbeidsproces te verhogen'', meent Goudswaard. Er moeten in West-Europa, ook in Nederland, meer mensen aan de slag, zodat de economische groei verhoogd wordt en de verzorgingsstaat betaalbaar blijven.

Maar op sociaal-economisch gebied heeft Europa (lees de Europese Commissie) beperkte zeggenschap. Alleen wat betreft zaken als arbeidsomstandigheden – werktijden, gezondheid - en gelijke behandeling kan Brussel maatregelen nemen. Op het terrein van sociale zekerheid (bijstand, werkloosheidsuitkering, pensioenen), dus ook de arbeidsparticipatie, heeft de Europese Commissie geen invloed. De lidstaten bepalen hun eigen sociale beleid.

,,Dat moet ook zo blijven'', vindt Goudswaard, want de systemen zijn te verschillend. De Europese landen spreken wel actieplannen over sociaal beleid af, om zichzelf te binden. Maar de Europese Commissie heeft geen stok achter de deur om bepaalde sociaal-economische afspraken af te dwingen.

,,Neem de uiterst ambitieuze agenda van Lissabon (waar de Europese landen vier jaar geleden afspraken van Europa in 2010 de meest concurrerende kenniseconomie te maken, red.)'', zegt Goudswaard.

Hij somt op: De productiviteitsgroei in Europa moet omhoog. De participatie van werknemers op de arbeidsmarkt moet worden opgeschroefd tot 70 procent, de werkgelegenheid van ouderen tussen de 55 en 64 jaar (van 38 naar 50 procent), en minstens 60 procent van de vrouwen moet werken.

,,Maar wie controleert of dit ook gebeurt?'' Hij vindt dat de economische actieplannen aan de nationale parlementen moeten worden voorgelegd, zodat de kiezer de politiek erop kan aanspreken. ,,Want de doelstellingen van Lissabon zijn van wezenlijk belang om het niveau van welvaart te handhaven. Ook al is de kans klein dat de doelen in 2010 gehaald worden.''

Wil de Lissabon-agenda binnen zes jaar gerealiseerd worden, dan zou de arbeidsdeelname in de 25 Europese landen met meer dan 7 procentpunten moeten stijgen, hebben de sociaal-economische deskundigen berekend. Dat komt neer op 22 miljoen nieuwe banen ofwel drie miljoen per jaar. Alleen in het economische topjaar 2000 werd dat gehaald.

Toch staan de Lissabon-doelstellingen hoog op de agenda, want meer economische dynamiek is volgens Goudswaard in Europa eenvoudig van levensbelang.

Op Europees niveau kan volgens hem veel méér gedaan worden om de Europese Unie concurrerender te maken, meent hij. Er kan bijvoorbeeld een Europese markt voor kenniswerkers worden geschapen.

,,Essentieel is in dit verband dat belemmeringen voor grensoverschrijdende pensioenen worden afgebouwd. Voor hooggeschoolde werknemers is dat een belangrijke hindernis in een ander Europees land te gaan werken. Of ze vertrekken naar Amerika, waar ze veel meer verdienen.''

Liefst 400.000 Europese wetenschappers werken in de VS, 40 procent van de Amerikaanse wetenschappelijke gemeenschap. Wil een deel van hen terugkomen, dan moet werken in Europa aantrekkelijk worden gemaakt.

Ook het oprichten van een Europees pensioenstelsel is voor migranten wenselijk, zodat kenniswerkers bij een pensioenfonds terechtkomen. Nu wordt vrij verkeer van werknemers ontmoedigd door het risico van pensioenbreuk. Bovendien is het belastingregime ten aanzien van pensioenen in elk Europees land anders.

Somber is Goudswaard niet over de toekomst van Europa.

,,Maar we moeten de problemen die op ons afkomen wel serieus nemen. Politici in Nederland doen er goed aan om oplossingen voor de gezamenlijke problemen te bedenken zoals de vergrijzing, de kenniseconomie, sociale modernisering en Europese afspraken daarover ook uit te voeren. Het uitspelen van de nationale kaart in het Europadebat roept onnodig op tot scepsis. Dat slaat als een boemerang terug op onze eigen welvaart.''