Macht en reputatie

Staten kunnen geen aanzien verwerven zonder macht. Hun aanzien kunnen ze alleen maar vasthouden door een goede reputatie – daarom is reputatie zo belangrijk voor de macht. Deze woorden van de Britse diplomaat Harold Nicolson haalde de directeur van het International Institute for Strategic Studies (IISS) in Londen eergisteren aan bij de presentatie van het jaaroverzicht van zijn instelling. Het machtigste land ter wereld, de Verenigde Staten, ondervindt in toenemende mate hoe moeilijk het is de juiste balans te vinden tussen de uitoefening van zijn macht en het behoud van zijn aanzien – dat is de algemene en verontrustende conclusie van dit gezaghebbende instituut, dat zich bezighoudt met het analyseren van geopolitieke ontwikkelingen.

Het IISS legt de vinger op de zere plek. Een onbalans tussen die twee zaken kan leiden tot toenemende internationale onveiligheid. De goodwill jegens de VS na `11 september' was enorm in de wereld. Veel daarvan is verspeeld door de naoorlogse ellende in Irak, door de aanpak van de regering-Bush die niet uitblonk in inzicht in de lokale verhoudingen of gevoel voor `nation building'. De reputatie van Amerika is door de recente martelschandalen aangetast en er zal heel wat moeten gebeuren om de `prestigeschade' ongedaan te maken. Intussen is ieder nieuw beeld uit de Abu Ghraib-gevangenis en iedere dode Irakees een reden temeer om de hakken in het zand te zetten; om het verzet tegen de VS en de coalitiepartners op te voeren en door te gaan met bommenterreur en zelfmoordaanslagen. Het IISS constateert dat de dreiging van terrorisme sinds de oorlog in Irak alleen maar is toegenomen en dat de aantrekkingskracht van het terreurnetwerk Al-Qaeda onder radicale islamitische jongeren sterk is gegroeid. Kleinere, decentrale Al-Qaedacellen van in totaal 18.000 potentiële terroristen hebben zich over verschillende landen verspreid.

Wat het IISS zegt is geen nieuw geluid. Anderen hebben eerder gewaarschuwd voor de gevaren die kleven aan het verschuiven van het Amerikaanse brandpunt: van de vooral met de mond beleden strijd tegen het terrorisme naar een energievretende oorlog in Irak. Dat de internationale coalitie tegen de terreur niet bijster veel voorstelt, bewezen de aanslagen van 11 maart op de Madrileense treinstations. De actie bleef tot dat bloedige moment beperkt tot veel retoriek en weinig maatregelen die resultaat opleverden.

Irak voortijdig verlaten is niet reëel, merkt het IISS met recht op. Het land zou een speelbal worden van elkaar bestrijdende partijen: een nieuw Afghanistan dat geregeerd wordt door het schuim van de regio, waardoor het Midden-Oosten veiliger, stabieler noch democratischer wordt – de `nobele doelen' die president Bush heeft gesteld en die met de dag minder haalbaar lijken te worden. Wat wel haalbaar is, is de strijd tegen het terrorisme met hernieuwde energie aanpakken. Door intergouvernementele samenwerking op alle niveaus, vooral bij de opsporing. In één woord: internationaliseren. Maar juist met dat laatste in brede zin heeft Washington moeite. Macht en reputatie lopen voor de buitenwereld steeds minder gelijk op.