Leer en spreek de taal van je buren

Willen de burgers van Europa echt met elkaar kunnen communiceren, dan moeten zij op zijn minst de taal van hun buren spreken, meent Anne Gazeau-Secret.

De taal van de buren: wie deze niet spreekt, kan niet met hen communiceren. De buren van Nederland zijn, in taalkundig opzicht, Frankrijk en Duitsland. Toch steekt de kennis van het Duits en Frans schril af bij die van het Engels. Onze zorg daarover hebben mijn Duitse collega Duckwitz en ik uitgesproken in een `open brief' aan de ouders van Nederland (Opiniepagina, 10 april 2003).

Economische en culturele argumenten pleiten voor meertaligheid, de kennis van méér dan twee talen. Naast Nederlands ook Engels spreken is leuk, maar niet voldoende.

In economisch opzicht stelden wij vorig jaar in onze `open brief' dat Duitsland en Frankrijk (samen met België) de belangrijkste handelspartners van Nederland zijn. Het Nederlandse nationaal inkomen is voor bijna 30 procent afhankelijk van geld dat in de relatie met deze buurlanden verdiend wordt. Er is vaak geconstateerd dat de Nederlandse export belangrijke mogelijkheden ongebruikt laat, bij gebrek aan een solide kennis van Duits of Frans. En dat terwijl in deze tijd van globalisering Nederlanders moeten kunnen communiceren met hun twee buurlanden.

Dit geldt mutatis mutandis ook Duitsland en Frankrijk. Deze twee landen werken politiek zeer nauw samen en zijn elkaars belangrijkste economische partner. Er zijn meer dan een half miljoen Duitsers en Fransen die over en weer werken. Toch is de kennis van elkaars taal in beide landen onvoldoende: ongeveer 15 procent van de Franse scholieren leert Duits, en maar 17 procent jonge Duitsers leert Frans. De Franse minister van Europese zaken heeft onlangs berekend dat, bij gebrek aan voldoende kennis van de Duitse taal, meer dan 100.000 banen in Frankrijk verloren gaan.

Ik kan me voorstellen dat ook de nieuwe EU-lidstaten met deze problemen geconfronteerd worden. Ze hebben er belang bij dat bedrijven uit West-Europa op grote schaal in de nieuwe lidstaten investeren. Kennis van elkaars taal en cultuur vormt een garantie voor de soliditeit en bestendigheid van de economische relatie. Een ander belangrijk fenomeen is de ontwikkeling van het toerisme. Fransen bijvoorbeeld ontdekken in snel tempo nieuwe bestemmingen, zoals de Baltische landen en landen in Midden-Europa. Hier gaat het om het ontdekken van steden, landschappen, kunstschatten en culturele tradities – een minimum van kennis van de taal en cultuur is dan bepaald geen luxe.

Naast deze economische argumenten is er ook nog het culturele aspect, dat minstens evenveel aandacht verdient. Dit culturele aspect valt in tweeën uiteen: enerzijds het alledaags niveau van communicatie tussen de personen, anderszijds de waarden die wij erkennen en willen beschermen.

Wij hebben in onze dagelijkse communicatie, met name op professioneel, wetenschappelijk of technisch gebied, een gemeenschappelijke taal nodig. Dat is in de regel wat men noemt een `derde' taal, die voor geen van beide sprekers de moedertaal is. Op zich hoeft dat geen probleem te zijn, behalve dat deze vorm van communicatie ergens ophoudt. Een persoonlijk dieptecontact, waarbij de cultuur en gevoeligheid van elke spreker beter uitkomt, vraagt een `directere' communicatie en berust dus op kennis van elkaars taal. Dat is natuurlijk moeilijker en vraagt meer inspanning. Maar we mogen ons niet uit gemakzucht beperken tot het aanleren van slechts één vreede taal. Vóór de Mammoetwet leerde men in Nederland vier talen op school!

Wij Fransen verdedigen de taal- en cultuurdiversiteit. Het past in onze visie van een `veelzijdige' wereld, dat de verschillende talen en culturen als een `immaterieel goed' worden beschermd. Hierin staan we niet alleen, want dit principe wordt door de UNESCO erkend. Er bestaat een netwerk van meer dan vijftig landen die zich actief inzetten voor het behoud van taal- en cultuurdiversiteit.

Wat wij op wereldwijd niveau wenselijk achten, willen wij ook in Europees verband toepassen. Het lijkt ons normaal dat de nieuwe lidstaten hun nationale taal als officiële taal in Europees verband erkend zien worden. Dat kost tijd en geld, maar het lijkt ons de moeite waard om niet alles vanuit een boekhoudkundig standpunt te bekijken. Het is een historische kans om de kunstmatige kloof te dichten, die een halve eeuw lang tussen Oost- en West-Europa gaapte.

Maar diversiteit is geen gegeven, die moet bevochten worden. Een Europees bewustzijn, een Europese identiteit, staat of valt met de kwaliteit van educatie en het ontstaan van een `Europese ruimte' in het hoger onderwijs. Dát is de zin van het pleidooi van mijn Duitse collega en mij voor een beter vreemde-talenonderwijs.

In Frankrijk, in Duitsland en in de nieuwe lidstaten moeten vormen van meertalig onderwijs worden ondersteund. Als ik vandaag 20 was, ging ik nu studeren in vijf talen zoals in Triëst en Passau aan sommige topfaculteiten. Elke student daar beheerst drie talen actief en twee talen passief. Meertaligheid in Europa hoeft niet op `babylonische taalverwarring' te lijken. Ik zou die veelheid aan talen eerder willen vergelijken met meerstemmig gezang, zoals wij dit kennen uit de Renaissance – dit bij uitstek Europese tijdperk.

Anne Gazeau-Secret is ambassadeur van Frankrijk in Den Haag. Dit is de bewerkte versie van haar toespraak vandaag op het symposium `Het Babylonische Europa', georganiseerd door de opleiding Europese Studies van de Universiteit van Amsterdam.