Collega-hoogleraren: kom naar Zürich!

Het artikel onder kop `Help! De hoogleraar verzuipt', waarin emeritus hoogleraar experimentele natuurkunde J.H. van der Waals korte metten maakt met de Nederlandse `bemoei- en regelcultuur' die het Nederlandse wetenschappelijk klimaat teistert, is mij uit het hart gegrepen (Opiniepagina, 13 mei). Het verschil tussen mijn vorige werkgever, de Technische Universiteit Delft, en mijn huidige, de prestigieuze Eidgenossische Technische Hochschule (ETH) in Zürich is hemelsbreed.

Sinds twee jaar ben ik aan de ETH verbonden en zeker in het begin was de verwondering groot. Vrijwel geen vergaderingen. Twee- tot driemaal per jaar komen de hoogleraren van een faculteit bij elkaar om algemene standpunten vast te stellen, promoties te bekrachtigen en wat dies meer zij. Voor de rest zijn er eveneens twee tot drie vergaderingen per jaar met de voorzitters van de instituten waaruit een faculteit is opgebouwd. Aangezien iedereen bij binnenkomst in de ETH ove een `pakket' (bestaande uit een investeringskrediet, een contingent assistenten en technici, en een jaarlijks budget) heeft onderhandeld met de president van de ETH, zijn er weinig strubbelingen en touwtrekkerijen over geld.

Om bij de ETH een aanstelling te verkrijgen, moet je door een zware aanstellingsprcedure heen. Lukt dat, dan heb je van meet af aan het vertrouwen van je omgeving en kun je onderzoek doen waar je interesse naar uitgaat.

Hoe anders was het in Delft. Daar was men niet anders bezig dan zijn hoogleraren op te drijven tot meer en opzichtigere publicaties – de geldsom die een groep ontving was hiervan afhankelijk. Modelleren was een eenvoudiger middel om veel te publiceren dan moeizame experimenten waarbij eerst een nieuwe opstelling moet worden ontwikkeld. Het gevolg was een langzaam voortschrijden uitholling van het experimentele onderzoek. Aan de ETH kun je rustig een aantal jaren besteden aan het ontwikkelen van nieuwe meetopstellingen: kwaliteit vergt nu eenmaal tijd.

De concurentiecultuur, waarbij de strijd om geld uiteindelijk het belangrijkste wordt, zit de TU Delft en waarschijnlijk ook andere Nederlandse universiteiten danig in de weg. Tel daarbij de regel- en bemoeizucht van organisaties als STW en NWO op, dan zien we een toenemende invloed van mensen die feitelijk buiten het onderzoek staan, maar wel menen te moeten vertellen hoe een onderzoeker zijn werk moet doen.

Het meest in het oog springend was wellicht een groot onderzoek voor de Prioriteiten Onderzoek Materiaalkunde dat ik in mijn laatste jaren in Delft mocht leiden. Dit onderzoek, waarmee circa drie miljoen euro gemoeid was, was erop gericht betere, dat wil zeggen, sterkere en meer duurzame materialen op basis van cement te ontwikkelen. Dergelijke projecten werden alleen gehonoreerd als sprake is van een samenwerkingsverband tussen verschillende groepen en bij voorkeur verschillende universiteiten. Zo gezegd, zo gedaan, maar dat betekent niet dat samenwerkingsverbanden ontstaan die daadwerkelijk door de betrokken onderzoekers worden ondersteund. Iedereen is `in' voor wat meer geld, en daarmee de goedkeurende `zegen' van het universiteitsbestuur. Uiteindelijk leidt dit tot onwerkbare situaties, mede omdat op instigatie van bijvoorbeeld een NWO bepaalde partners bij een project betrokken moeten worden om honorering zeker te stellen. Dit illustreert de desastreuze rol die dergelijke organisaties kunnen spelen bij het honoreren van onderzoek.

Het moge duidelijk zijn: collega's in Nederland die de kans krijgen naar de ETH te verhuizen, zou ik op dit moment willen adviseren: direct doen als je gevraagd wordt. Ook als je gevraagd wordt, onderga je nog de zware `screening', maar als je er door komt, is de beloning erg groot.

Prof.dr. Jan G.M. van Mier is hoogleraar aan de Eidgenossische Technische Hochschule in Zürich.