Wie verzint examen over Engelse katoenindustrie?

Het eindexamen geschiedenis (havo en vwo) ging gisteren over katoen. Wie verzint dat eigenlijk?

De laatste vraag van het eindexamen geschiedenis voor havo- en vwo-leerlingen, dat gisteren werd afgenomen, gaat over de afschaffing van de Engelse graanwetten in 1846. Waarom streefden zowel fabrikanten als arbeiders naar afschaffing, en waarom kregen ze tegengestelde belangen toen de wetten waren afgeschaft?

Geen probleem voor de gemiddelde leerling, want die heeft zich het afgelopen jaar verdiept in de katoenindustrie in het Engelse graafschap Lancashire in de periode 1750-1850. Dat was dit jaar een van de twee examenonderwerpen, en zal het volgend jaar weer zijn. Tot ongenoegen van veel geschiedenisleraren, die het onderwerp te specifiek vinden. De gemiddelde leerling zou niet warm lopen voor de uitvinding van spin- en weefapparaten als de spinning jenny en de flying shuttle.

Geen vak is zo subjectief als geschiedenis, en over geen vak wordt zoveel gediscussieerd. Hoe meer tijd er wordt besteed aan de Engelse katoenindustrie, hoe minder tijd er beschikbaar is voor de Tweede Wereldoorlog. In het eindexamenjaar van havo en vwo draait het geschiedenisonderwijs vooral om de twee thema's van het centraal schriftelijk examen. Die thema's zorgen altijd voor discussie, maar `Met de loep op Lancashire' zorgt voor meer commotie dan anders. Wie verzint zoiets, vragen veel docenten zich af.

De leraren zélf, zegt Marian van der Klein, onderzoeker bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG). Van der Klein zat in de commissie die het thema Lancashire heeft gekozen en voorbereid, samen met twee geschiedenisleraren en een vakdidacticus. Maar van een vrije keuze was nauwelijks sprake. De commissie was gebonden aan een door het ministerie vastgesteld `domein' over levensonderhoud en sociale verhoudingen, meer in het bijzonder over de overgang van agrarische naar industriële samenleving. Industrialisatie dus.

Van der Klein: ,,Vervolgens kwam er een dringend verzoek van de VGN, de vereniging van geschiedenisleraren. Of we iets wilden kiezen buiten Nederland, en niet uit de 19de of 20ste eeuw. Dan sloot het beter aan bij het andere onderwerp van dit jaar, Nederlandse politiek tussen 1950 en 1990. De leraren in de commissie wilden graag iets doen met Japan of Zuid-Afrika. Japan omdat het exotisch en origineel was, Zuid-Afrika omdat leerlingen het kennen door Nelson Mandela.''

Dat Engeland zich beter leent voor een verhaal over industrialisatie, was niet meteen voor iedereen duidelijk, volgens Van der Klein. Toen de keuze voor Lancashire eenmaal was gemaakt, kwam er opnieuw een beperking. Van der Klein: ,,Wij wilden aanvankelijk een vergelijking maken tussen Lancashire en Twente, het Nederlandse centrum van de textielindustrie. Twente is afgevallen omdat leraren maar tien weken de tijd hebben om zo'n onderwerp te behandelen, en dan zou het te gecompliceerd worden. Wat mij bij de hele procedure heeft verbaasd is de willekeur.''

Leraren klagen dus over beperkingen die ze zelf hebben bedacht. Nee, zegt VGN-voorzitter Peter Wester, vertegenwoordiger van 2.100 van de circa 3.500 fulltime geschiedenisleraren. ,,Je moet het zien als een aantal spelregels dat in de praktijk zo is gegroeid. Het is logisch dat leraren variatie willen. Als het ene onderwerp zich binnen Nederland afspeelt, is het goed als het andere onderwerp buitenlands is.'' Dat de vergelijking met Twente is afgevallen, vindt Wester ook jammer. Maar het moest, door de tijdsdruk.

Totale willekeur in de themakeuze wordt voorkomen door de voor langere tijd wettelijk vastgelegde domeinen en subdomeinen, waar opeenvolgend uit gekozen moet worden. Nadat een jaarlijks wisselende `stofomschrijvingscommissie' een thema heeft gekozen en omschreven, worden hier vragen bij gemaakt door een `constructiegroep' van examenmaker Cito, bestaande uit zes docenten. Formeel verantwoordelijk voor het examen is echter de vaksectie geschiedenis van de Centrale Examencommisie Vaststelling Opgaven (CEVO), die concept en eindresultaat vaststelt. Net als de stofomschrijvingscommisie bestaat deze vaksectie uit een wetenschapper en twee à drie geschiedenisleraren.

Hopeloos omslachtig, zo lijkt het. Een internationaal unieke en zeer zorgvuldige procedure, meent Elbert Roest, oud-geschiedenisleraar, -wetenschappelijk medewerker bij Cito en inmiddels burgemeester van Laren. Maar er zijn zwakheden in het systeem, volgens Roest. ,,Omdat er zoveel mensen bij betrokken zijn, wordt de examenstof een gemiddelde, het prikkelende wordt er uitgefilterd. Bovendien ontstaat er vaak tijdsdruk in de voorbereiding, omdat iedereen elkaar kritiseert. Die neiging is sterk ontwikkeld in het geschiedenisonderwijs.''

Misschien gaat het systeem op de schop. Begin 2001 kwam de commissie-De Rooy met een plan om het geschiedenisonderwijs anders in te richten, en ook het examen aan te passen. In plaats van twee tamelijk willekeurige onderwerpen in het examenjaar wil De Rooy afsluiten met een toets die een doorlopend programma voor basis- en middelbare school test. Tot onvrede van de VGN is er tot nu niets gebeurd met de aanbevelingen van De Rooy, maar in september start een proef op acht scholen.

Hoe is het, tot slot, mogelijk dat er ondanks al die betrokkenen toch een fout is geslopen in het eindexamen? Bij een vraag over de val van het kabinet-Marijnen werd verwezen naar bron 6 in plaats van bron 5. Melis Melissen, hoofd afdeling havo/vwo van de CEVO: ,,We maken 10.000 vragen per jaar, het is onvermijdelijk dat er vermijdbare fouten worden gemaakt. Het menselijk tekort in het algemeen is de schuldige, vrees ik.''