Soevereiniteit is relatief

Er zijn geen gradaties van soevereiniteit, zei Samuel Johnson meer dan 200 jaar gelden. Hoe zit dat nu in hedendaags Irak?

Soevereiniteit geldt als de hoeksteen van het volkenrecht, symbool van de formele gelijkheid van de staten die ten grondslag ligt aan de Verenigde Naties. ,,Een gladde formule'', zoals prof. Bruno de Witte uit Maastricht het eens uitdrukte. Hij zei er wel direct bij dat deze karakteristiek ,,bedrieglijk'' is.

Een actueel voorbeeld is de voor 30 juni geplande soevereiniteitsoverdracht in Irak. Het is geen complete overdracht. Het Witte Huis spreekt van ,,het einde van de bezetting en het begin van soevereiniteit voor het Iraakse volk''. De VS zien evenwel nog steeds een leidende militaire rol voor zichzelf.

,,Er zijn geen gradaties van soevereiniteit'', zei dr. Samuel Johnson meer dan tweehonderd jaar geleden. Zo eenvoudig ligt het allang niet meer. De soevereine staat die sinds de Vrede van Westfalen (wij zeggen: Münster) uit 1648 het volkenrecht beheerst, belichaamt in de woorden van een moderne auteur ,,een polariteit: zowel bedreiging als waarborg van recht en vrijheid''.

Op basis van de soevereiniteitsgedachte die ten grondslag ligt aan de VN herinnerde secretaris-generaal Kofi Annan er in 2001 aan dat deze gedachte haar grenzen vindt in de internationale bescherming van de mensenrechten en het humanitaire recht. Ook in een ander opzicht is soevereiniteit een relatief begrip. De VN kennen een speciale ordenende rol toe aan de grote mogendheden (permanente zetel en veto in de Veiligheidsraad). Deze rol heeft zijn wortels in het Westfaalse systeem. Toch moet de soevereiniteitsgedachte niet al te zeer worden gerelativeerd, zoals in Europa nogal eens gebeurt. Grote delen van Afrika en Azië blijven er zeer aan hechten.

In volkenrechtelijke kring maakt bij problematische staten een theorie van ,,ontvlechting'' van soevereiniteit opgang. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen effectief binnenlands gezag, het reguleren van het verkeer over de nationale grenzen, de erkenning van het staatsgezag in het internationaal verkeer en de ,,Westfaalse kern'' die gericht is tegen buitenlandse inmenging.

Deze aspecten hoeven niet samen te gaan, betoogt de Amerikaanse hoogleraar Robert O. Keohane in een bundel over humanitaire interventie. Taiwan gedijt als ,,a kind of never-never land'' met een grote mate van traditionele soevereiniteit zonder internationale erkenning. De lidstaten van de EU hebben veel van hun Westfaalse soevereiniteit opgegeven, maar behouden duidelijk binnenlands gezag en internationale erkenning. Het hoge gerechtshof van Hongkong kan buitenlandse rechters uitnodigen deel te nemen aan de beraadslagingen. Tsjaad heeft zijn belastinginning uitbesteed aan Franse ambtenaren.

Dit zijn mooie voorbeelden. Maar de vraag blijft of ze voldoende overtuigingskracht hebben in Irak. Het plaatsen van troepen onder een gemeenschappelijk oppercommando geldt als verenigbaar met de soevereiniteit van de deelnemers. Maar als een Amerikaanse oppercommandant het recht behoudt over te gaan tot militaire actie tegen een lastige stad zonder dat de nieuwe Iraakse regering daar zeggenschap over heeft, zet dat de legitimiteit van deze regering op het spel.

Ontvlechting is kortom eenvoudiger gezegd dan gedaan. Met name het Europese voorbeeld wijst op het belang van een bovennationaal element als vertrouwenwekkend kader. Dat is meer dan een sterke coalitiemacht, hoe belangrijk deze feitelijk ook is. En zo zijn alle ogen eens te meer gericht op de VN.