Rumsfeld is een ramp, hij moet weg

Het optreden van minister van Defensie Rumsfeld in Irak in de afgelopen dertien maanden is de ergste vertoning van incompetentie door een regeringsfunctionaris uit de jongste Amerikaanse geschiedenis, meent Anthony Lewis.

Naar de gebruikelijke maatstaven van regeringen of ondernemingen had Donald Rumsfeld al lang moeten aftreden of moeten zijn ontslagen als minister van Defensie. Niet om ideologische redenen, en ook niet wegens het schandaal in de Abu Ghraib-gevangenis, hoe afgrijselijk dat ook is. De reden is zijn incompetentie. Zijn optreden in Irak in de afgelopen dertien maanden is de ergste vertoning van incompetentie door een regeringsfunctionaris uit de jongste Amerikaanse geschiedenis.

In april 2003 zijn de troepen van de Verenigde Staten in triomf Bagdad binnengetrokken. Thans kunnen zij niet eens een moordaanslag bij de voordeur van het hoofdkwartier van de bezettingsmacht voorkomen. Het land is in de greep van onveiligheid. Zes weken voordat een of andere onbestemde vorm van soevereiniteit zal worden overdragen aan een Iraaks regime, weet nog niemand wat voor regime dat zal worden.

Rumsfeld is de verantwoordelijke man. Híj heeft de verantwoordelijkheid voor het naoorlogse Irak van president Bush gevraagd en gekregen. Híj en zijn medewerkers hebben onderzoeken van het ministerie van Buitenlandse Zaken over te verwachten moeilijkheden naast zich neergelegd. Rumsfeld vertrouwde voor advies op Ahmad Chalabi, een Iraakse balling die in Jordanië gezocht werd wegens fraude en die naar de mening van velen bedrieglijke inlichtingen heeft geleverd. Tot vorige week hebben Chalabi en zijn organisatie 39 miljoen dollar gekregen van de Amerikaanse regering, totdat die eindelijk, een week geleden, hun melkkoetje heeft afgepakt.

De snelheid waarmee Irak al meteen na de militaire overwinning in chaos is gedompeld, was verbijsterend. Iraakse instellingen werden massaal leeggeroofd, en twee maanden lang – het is ongelooflijk – hebben de Amerikaanse troepen daar niets doeltreffends tegen ondernomen. Alle Iraakse ministeries, op het ministerie voor Olie na, zijn geplunderd. Het schitterende nationale museum en de nationale bibliotheek zijn overhoopgehaald. Bedden werden uit ziekenhuizen geroofd, computers uit universiteiten.

Dat was een ramp voor de bezetting die toen volgde. De stroom- en watervoorziening was verstoord, maar de psychologische schade was erger. De Irakezen zagen een bezettingsmacht die volstrekt niet in staat was om elementaire veiligheid te verschaffen. Van dat verlies aan vertrouwen hebben de Verenigde Staten zich nooit hersteld. Op een vraag over de plunderingen heeft Rumsfeld die indertijd afgedaan als ,,rommeligheid''.

L. Paul Bremer III, Rumsfelds man in Irak, stuurde om te beginnen het hele Iraakse leger de laan uit, met als gevolg dat honderdduizenden mannen zonder inkomsten of waardigheid op straat kwamen te staan – dat was gewoon vrágen om onlustgevoelens. De laatste tijd heeft Bremer, in het nauw gebracht door het groeiende nationalistische verzet, iets van

deze dwaasheid ongedaan gemaakt en een aantal voormalige militairen weer in dienst genomen. Hij heeft de confrontatie in Fallujah aangepakt door de veiligheid in die stad toe te vertrouwen aan voormalige officieren van Saddam Hussein.

Rumsfeld was de man die dacht dat het verstandig was om de door zijn land ondertekende, derde Geneefse Conventie te schenden, en eenzijdig alle in Guantánamo vastgehouden gevangenen het etiket `onwettige strijders' op te plakken – zonder het in de Conventie vereiste recht om te worden gehoord.

Dat beleid is in de hele wereld afgekeurd; de hoge Britse rechter Lord Steyn heeft Guantánamo een ,,juridisch zwart gat'' genoemd. Rumsfeld deed de klachten over de behandeling van de gevangenen af als ,,geïsoleerde gevallen van internationale hyperventilatie''.

Het onwettige optreden in Guantánamo was de opmaat tot de wetteloosheid in Abu Ghraib.

The Economist, een van de meest pro-Amerikaanse stemmen ter wereld, heeft gesteld dat het Guantánamo-beleid ,,niet alleen verkeerd was, maar ook gevaarlijk voor Amerika's goede naam. Het was verkeerd, omdat het juist de waarden en de rechtsorde schond waarvoor Amerika verondersteld werd te strijden.'' Het blad noemde het bovendien ,,een symbool van `dat-maken-wij-wel-uit-arrogantie'''.

Het politieke optreden van de bezettingsmacht in Irak – alweer onder Rumsfelds man Bremer – was schutterig. Bremer ging niet in op de roep van Iraakse zijde om vroege verkiezingen, wat geen sterke zet was voor een mogendheid die werd verondersteld Irak de democratie te brengen. Verder heeft Bremer Irak een door Amerikanen opgestelde overgangsconstitutie opgelegd waarvan je zeker kon zijn dat die in iedere werkelijk soevereine Iraakse regering door de shi'itische meerderheid zou worden afgewezen.

En nu kan, volgens Seymour Hersh in het laatste nummer van The New Yorker, ook Abu Ghraib rechtstreeks worden herleid tot Rumsfeld.

Anthony Lewis is oud-columnist van The New York Times. © LAT/WP-Newsservice