Murray's nieuwe bigband nog niet rijp voor podium

Zou David Murray (1955) een lijstje boven zijn bed hebben hangen met `dingen die ik moet doen voor ik vijftig wordt'? Gezien 's mans carrière zou je het haast denken. Eind jaren zeventig werd de tenorsaxofonist ingehaald als opvolger, of op z'n minst erfgenaam, van Coltrane en Ayler. In de jaren tachtig bekeerde hij zich tot het traditionalisme en vulde hij plaat na plaat met herbezinningen op de jazzhistorie. Tussendoor maakte hij ook nog uitstapjes naar gospel, het hippiedom van de Grateful Dead en Afrikaanse muziek. De lijst hele en halve goden met wie Murray werkte is eindeloos.

Heel wat van die bands zijn in Rotterdam te zien geweest sinds de oprichting van de Stichting Jazz International Rotterdam. En dus was het passend om Murray uit te nodigen voor de viering van het tienjarige lustrum (nog tot en met zondag). Met alweer een nieuw project, een latin bigband. Of zoals Murray zelf preciseerde: een puur Cubaanse band die latin genoemd wordt om Amerikaanse boycots te omzeilen.

Maar welke naam je er ook opplakt, bij het beluisteren van Murray's nieuwste speeltje krijg je het gevoel dat deze band nog niet helemaal rijp is voor het podium. Murray had zichzelf misschien meer tijd moeten gunnen bij het uitwerken van de arrangementen. Nu swingt de ritmesectie weliswaar Cubaans maar klinken de blazers als in een gewone, niet bijster originele bigband. De massief gestapelde trompetten, saxofoons en trombones genereren vooral meer volume, niet meer gelaagdheid. En als de secties wel tegen elkaar worden uitgespeeld, wordt het al snel een rommeltje. Want Murray heeft een autoriteitsprobleem in zijn band – de muzikanten suffen, voeren onderling gesprekken of kijken naar de grond waardoor de gebaren van de leider verloren gaan.

Toch vallen heel soms de stukjes op de juiste plaats. En dan is te horen hoe Murray het ongetwijfeld bedoeld heeft: messcherpe attacks, blazers die aanzwellen als een squadron stuka's in duikvlucht en een donderend coda. Maar over het algemeen is de muziek niet meer dan een overmaatse omlijsting voor solo's. Sommigen daarvan zijn goed, zoals die van altist Ariel Ruiz en de duelerende trompettisten Alexander Cabera en Rafael Cana. Maar het krakkemikkige basintro voor het veel te lange eindnummer Ouagadougou had achterwege mogen blijven. Net als het tenenkrommende geloei van tenorist Irving Sierra.

Dat laatste werd pijnlijk duidelijk door het contrast met Murray zelf, die een paar ouderwets gave solo's ten beste gaf. Helaas deed hij dat weinig. Het merendeel van de tijd stond hij achter een slang van aan elkaar geplakte velletjes bladmuziek te dirigeren. Stond zeker ook op dat lijstje van 'm.

Concert: David Murray Latin Big Band. Gehoord: 25/5 in De Doelen, Rotterdam.

Herh: 29/5 op De Parade, Den Bosch (Jazz in Duketown).