Moeder

In de chaotisch volle fietsrekken bij het Centraal Station van Amsterdam probeerde een vrouw haar fiets weg te zetten. Dat viel beslist niet mee. Er scheen wel ergens een plaatsje vrij te zijn, maar om dat te bereiken moest ze zich een weg kappen door lianen van ineengestrengelde sturen en stangen.

Het was bovendien een warme middag en de zon brandde scherp op het stukje roodverbrande rug boven haar witte hemdje. Gelukkig was het een struise, jonge vrouw die in staat bleek de fietsen met de nodige kracht te lijf te gaan. Zij ging deze slag winnen, dat was duidelijk, het was alleen nog de vraag in hoeverre haar humeur eronder zou lijden.

Daar begon ik me ernstig zorgen over te maken, toen ik hoorde hoe ze uitviel tegen een witharig, ongeveer zesjarig jongetje in een rood T-shirt, dat haar zoontje bleek te zijn. Hij had zich al een tiental meters verder opgesteld, mogelijk uit veiligheidsoverwegingen.

Hij vroeg iets, ik kon niet verstaan wat, waarop zijn moeder schreeuwde: ,,Wanneer hou je nou eens je bek? Waarom zeg je dat dan niet meteen? Met jou is het altijd wát.''

Het jongetje keek beteuterd voor zich. Toen vroeg hij aarzelend: ,,Gaan we straks nog een ijsje eten?''

Kinderen hebben nu eenmaal geen tact. Dat is soms het leuke van ze, soms ook niet. In de Engelse speelfilm The Mother zegt een kind tegen zijn grootmoeder: ,,Jouw gezicht is kapot.'' Grootmoeder schrikt ervan. Het is fictie, maar een kind zou dat inderdaad kunnen zeggen.

De moeder van het jongetje was net bezig met het opzij rammen van de laatste obstakels, toen ze die vraag over het ijs kreeg. ,,Seiken, dat is het enige wat jij kan'', riep ze, ,,altijd maar seiken. Ik word niet goed van jou.''

Het kan aan mij liggen, maar het `seiken' van een Amsterdamse moeder klinkt mij agressiever en onverzoenlijker in de oren dan het `zeiken' van een Arnhemse moeder. Het had in ieder geval een verlammende uitwerking op het jongetje, dat voorlopig niets meer zei.

De moeder rondde haar karwei met de fietsen af, pakte een tas van de grond en liep naar het station zonder naar haar kind om te kijken. Hij volgde op een meter of twee. Af en toe grauwde ze over haar schouder: ,,Een vreselijke etter ben je'', of: ,,Ik neem jou nooit meer mee''.

Ik probeerde me te herinneren of mijn moeder, die toch niet de gemakkelijkste was, ooit zó tegen mij als kind had gepraat. Ik kon het me niet voorstellen. Bij deze vrouw proefde je een zekere routine in de agressie, alsof ze gewend was iedereen over wie ze macht had af te bekken. Je ziet en hoort zulke moeders wel vaker, en altijd rijst bij mij dan de vraag: hoe komt een kind over tien, vijftien jaar uit zo'n aanhoudend bombardement tevoorschijn?

In de stationshal beende de moeder meteen naar de stand van Swirl. Ze had zelf ook wel zin in een ijsje. Het jongetje wees de aardbeien aan, maar hij bedacht zich toen de juffrouw de beker wilde vullen. Toch maar caramel. Fout!

,,Zeg dat dan meteen goed, sufferd'', snerpte zijn moeder.

Daarna haastten ze zich naar de trein naar Haarlem, de moeder nog steeds voorop.