`Aandacht is wat wij kunstenaars te bieden hebben'

Ze worden met sluiting bedreigd, maar eerst viert De Ateliers, broedplaats voor jong kunsttalen, zijn veertigste verjaardag.

Volgens Joep van Lieshout is het een soort militaire dienst voor kunstenaars. Anderen vergelijken het met werken onder een vergrootglas – niets blijft onopgemerkt en onbekritiseerd. En toch melden zich ieder jaar zo'n driehonderd pas afgestudeerde kunstenaars aan voor de tien werkplekken van De Ateliers in Amsterdam. Zij komen af op de gerenommeerde namen van de begeleiders, onder wie Marlene Dumas, Steve McQueen en Georg Herold. En ze weten dat een verblijf op het kunstenaarsinstituut hun kansen op een carrière aanzienlijk vergroot.

Al veertig jaar biedt De Ateliers jonge talenten de kans hun werk te ontwikkelen in een eigen atelier, onder begeleiding van ervaren kunstenaars die iedere dinsdag bezoeken afleggen. Gisteren verscheen de jubileumuitgave Blue Tuesdays over de geschiedenis van het initiatief. Maar veel redenen om feest te vieren zijn er niet. Onlangs adviseerde de Raad voor Cultuur om de financiële ondersteuning van De Ateliers stop te zetten. Als staatssecretaris Medy van der Laan dit advies in september overneemt, zullen de werkplaatsen aan de Stadhouderskade nog deze Kerst sluiten.

,,Het is een beetje business as usual'', zegt Dominic van den Boogerd (1959), sinds 1995 directeur van De Ateliers. ,,We worstelen al veertig jaar om dit werk te kunnen doen. Maar dit keer komt de klap wel heel hard aan. Ook andere werkplaatsen, zoals de Rijksakademie en de Jan van Eyckacademie, worden uitgehold. Een mooi stelsel van post-academisch voorzieningen wordt afgebroken, terwijl er geen alternatieven worden geboden. En het reguliere kunstonderwijs kan het stokje niet overnemen. Daar hebben de academies het geld en de expertise niet voor.''

Van den Boogerd pleit daarom voor een bredere discussie, waarbij het kunstonderwijs als geheel tegen het licht wordt gehouden. ,,Mijn indruk is dat het slecht gaat op de academies, dat studenten die vier jaar les hebben gehad eigenlijk nog niets weten, zeker wanneer je het vergelijkt met het buitenland.''

Dat probleem constateerden beeldhouwers Mari Andriessen en Theo Mulder veertig jaar geleden ook al, toen ze uit onvrede met het falende kunstvakonderwijs in Haarlem een eigen `schooltje' begonnen onder de naam Academie '63. Jonge kunstenaars konden werken op een atelier van een gearriveerde collega. Drie jaar later kwam beeldhouwer Wessel Couzijn op het idee om de werkruimtes aan de studenten te geven. De naam werd veranderd in Ateliers 63. De werkruimtes zijn luxueuzer sinds de verhuizing in 1994 naar het gebouw van de Rijksakademie. Maar het aloude meester-gezel-principe geldt nog steeds op De Ateliers, zoals het toen ging heten. Van den Boogerd: ,,Wij zijn de enige werkplaats waar de kunstenaars de baas zijn. Zij bepalen het gesprek, het beleid. Er zijn geen reglementen, geen leerdoelen, geen studiepunten en geen eindexamens. Aandacht is het belangrijkste dat we bieden en kunstenaars praten met kunstenaars, daar draait het om. Dat klinkt als een luxe, maar wat mij betreft is het bittere noodzaak.'' De veelgehoorde kritiek dat De Ateliers een soort elitaire, in zichzelf gekeerde kloosterorde zou zijn, wijst Van den Boogerd resoluut van de hand: ,,Wij zijn geen galerie. Het gaat er niet om hoe we het werk verkopen, maar om hoe het werk zo goed mogelijk wordt.''

De Raad voor Cultuur zegt nu in het advies voor de Cultuurnota 2005-2008 dat er te veel werkplaatsen zijn. Er is, zo schrijft de Raad, sprake van een overaanbod aan voorzieningen voor jonge kunstenaars. Maar volgens Van den Boogerd zijn de werkplaatsen nu precies wat Nederland zo uniek en aantrekkelijk maakt. Het is volgens hem de reden dat er zoveel buitenlandse kunstenaars hier naartoe komen. ,,Galeries zijn er niet zo veel, verzamelaars evenmin, en de musea kunnen weinig omdat ze ook aan alle kanten gekort worden. Wat we wel hebben zijn post-academische voorzieningen. Dat is een florissant systeem dat zorgt voor een levendig kunstklimaat. En het kost relatief weinig.''

Jaarlijks krijgt De Ateliers 727.000 euro subsidie, omgerekend 36.000 per student. Daarmee is De Ateliers de goedkoopste werkplaats. Er zijn vier personeelsleden, behalve de directeur twee technische assistenten en een zakelijk leider. De twaalf begeleiders werken op freelance-basis. Ter vergelijking: de Rijksakademie (60 plaatsen) ontving de afgelopen vier jaar 3,4 miljoen euro en de Jan van Eyckacademie (48 plaatsen) 2,8 miljoen, wat neerkomt op ruim 50.000 euro per student. ,,Alles gebeurt low-budget'', aldus Van den Boogerd. ,,De postzegels haal ik zelf.''

De Rijksakademie organiseert jaarlijks de Open Ateliers en het Sandberg Instituut heeft de Kunstvlaai. Had Van den Boogerd misschien met meer pr de dreigende sluiting kunnen voorkomen? ,,Wij zitten in een ander segment'', reageert de Ateliers-directeur. ,,Wij opereren internationaal. Onze kunstenaars doen mee aan de Biënnale van Venetië en de Documenta. Dat zou voldoende moeten zijn.''

Blue Tuesdays. De Ateliers 1963-2003. Nl/Eng, 112 p. ISBN 90-807318-2-X. Prijs: €19,50