We verlangen naar het platteland

Sinds 1 mei telt de Europese Unie 25 landen. Deel 14 van een serie familieportretten, de familie Komninós op het Griekse eiland Korfoe. `Werken, zweten, maar minder dan vroeger, daarna uitrusten, en 's avonds cultuur.'

Toen ik in 1959 in Griekenland neerstreek, was het eiland Korfoe de armste provincie. Toerisme was er nog nauwelijks. De volgende jaren klom het gestaag op van het zuiden naar het noorden en het heeft nu in ieder geval de hele kuststrook in zijn greep, met doorgaans foeilelijke hotelconglomeraten en andere kolossale attracties van hier en daar Amerikaanse allure.

In één van die noordelijke dorpen, Arillas, nu een badplaats, vrij recentelijk door het toerisme ingepalmd, woont als één van de laatste agrarische eenheden de familie Komninós, een naam die Byzantijnse associaties oproept. Het plaatsje is tamelijk uitgestrekt, zonder echt centrum of dorpsplein, maar met een belangrijke strandsector waar de meeste horecabedrijven zich bevinden. Het domein van de Komninóssen ligt meer naar binnen, daar waar men de zee net niet ziet.

Grootvader Stefanís is 83 en werkt nog wel eens in de kleine wijngaard, die alleen drank levert voor huiselijk gebruik. Zijn iets jongere vrouw Savo (afgeleid van Elisabeth) is slecht ter been en komt het huis zowat niet meer uit. Het huis ligt schuin onder dat van zoon Phílippas (53) met zijn familie. Als je naar de verhalen van Stefanís luistert, wordt je duidelijk waarom Korfoe in de vorige eeuw nog zo arm was. Het was in feite een feodaal gebied, waar de adel nog de scepter zwaaide.

De meeste boeren waren horig aan de árchondas, de heer aan wie een derde van de oogst moest worden uitgekeerd. Stefanís herinnert zich hoe hij er als jongetje getuige van was dat zijn vader door de landheer met een pistool werd bedreigd, nadat hem ter ore was gekomen dat hij zijn eigen graan, tweederde dus, had geplet zodat het in feite méér was. Die vader was aanhanger van de liberaal Venizélos, de landheren waren allemaal koningsgezind. Zoon Stefanís werd communist.

In de salon hangen de portretten van Lenin en de legendarische Griekse partizanenleider uit bezetting en burgeroorlog, Aris Velouchiótis, ,,een Griek om trots op te zijn''. Stalin hangt er niet bij, maar die wordt wel in veel opzichten ten onrechte beschuldigd, zegt Stefanís. Gorbatsjov die de Sovjet-Unie heeft ontmanteld is in zijn ogen de ware booswicht.

Tijdens de burgeroorlog (1946 - '49) werd de communistische partij verboden; haar plaats werd ingenomen door de Unie van Democratisch Links (EDA). Met glinsterende ogen vertelt Stefanís over wat voor hem een hoogtepunt was: in 1958 behaalde de partij bijna een kwart van de stemmen.

Maar in 1961 was het uit met deze euforie: vlak voor de ,,verkiezingen van geweld en intimidatie'' kwam de marechaussee met haar honden langs de huizen om pressie uit te oefenen om de regering van de oude Karamanlis in het zadel te houden. Stefanís werd geregeld op het politiebureau van de stad Korfoe ontboden om uit te leggen of hij nu eigenlijk communist was. Kort na de staatsgreep van 1967 werd hij naar het barre concentratie-eiland Járos gebracht waar hij, samen met duizenden anderen, enkele jaren verbleef.

Na de kolonelsdictatuur was er kans op een linkse opleving, aldus Stefanís, maar Andreas Papandreou, zijn eigenlijke bête noir, heeft deze met zijn `socialistische' PASOK verraden door, tegen zijn beloften in, het land te nestelen in de NAVO en de EU. Er zou op zichzelf niets tegen een verenigd Europa zijn, zegt hij, als het maar niet kapitalistisch was. Dat betekent immers dat de rijken rijker worden en de armen armer. En wat is er te verwachten van leiders als Berlusconi, Blair en Aznar?

,,De EU wil zo weinig mogelijk boeren'', weet Stefanís. De landbouwsubsidies worden, zo zegt hij, ongelijk verdeeld en komen nu al voor een groot deel in de zakken van managers. Er is geen controle op de prijzen van kunstmest, brandstof en materiaal. Marx schreef al dat het kapitalisme, anders dan het socialisme, alleen kan voortbestaan met periodieke oorlogen. Die van de Sovjet-Unie tegen Afghanistan, die ik voorzichtig te berde breng, noemt hij geen echte oorlog, want die was op uitnodiging van het Afghaanse staatshoofd begonnen.

Stefanís was in de jaren '70 al gedeeltelijk overgegaan op kassen, maar zijn zoon Phílippas, die in Athene als marmerwerker was begonnen, kwam in 1978 terug naar het dorp en breidde het kassenbestand flink uit. Tomaten, komkommers, bonen en vooral courgettes met hun prachtige bloemen, alles verwarmd met waterzakken in plaats van elektriciteit of gas, ter wille van het milieu, vragen dagelijks intensieve aandacht van hem en zijn zoon Stéfanos (22), en enkele arbeiders, Albanezen en een Indiër. Het zijn producten voor de plaatselijke markt. De artisjokken van de open akker zijn bij de uitzonderlijke vorst van december verloren gegaan.

Phílippas is geen communist maar steunt, met enige reserve, de niet-communistische Alliantie van Radicaal Links, de kleinste partij in het parlement. Met zijn vader deelt hij de afkeer van de sociaal-democratische PASOK die twee maanden geleden als regeringspartij plaats heeft moeten maken voor de conservatieve Nieuwe Democratie. Hij is vooral voldaan dat de plaatselijke grootheid Jannis Drys, die minister van Landbouw was, uit het parlement is verdwenen. Een afstraffing, vindt hij, voor het feit dat deze jarenlang heeft gedoogd hoe een giftig middel over de olijfbomen is gespoten ter bestrijding van de dakos-ziekte, waardoor kanker op het eiland nu veelvuldiger zou voorkomen dan elders in het land.

Phílippas' voornaamste doelwit is de consumptiemaatschappij, waarvan Griekenland in zijn ogen een afschrikwekkend voorbeeld is. De boeren zijn lui en dik geworden, vindt hij, ze zitten overdag in de cafe's en 's avonds in de skyladika, letterlijk `hondententen' waarin bij luide bouzoukimuziek vrouwelijk gezelschap hoogtij viert.

Het agrarische handwerk wordt in Griekenland voornamelijk – voor tweederde, zegt de statistiek – door buitenlanders gedaan, Albanezen voorop. Voor zijn eigen kassen heeft Phílippas geen enkele Griekse arbeider kunnen vinden. Als alle buitenlanders zouden verdwijnen – en dat is eigenlijk zijn ideaal – zouden de Grieken zelf weer moeten werken. ,,Werken, zweten, maar minder dan vroeger, daarna uitrusten, en 's avonds cultuur.'' Want één van zijn andere klachten is dat de in potentie zo rijke cultuur van zijn land slechts aan een kleine minderheid ten goede komt. ,,De cultuur in mijn land, dat is Chrístos Lambrákis'', zegt hij smalend, doelend op de krantenkoning-miljonair die onder andere het Atheens Concertgebouw heeft bekostigd. ,,Altijd nog beter dan Berlusconi'', waag ik, en daarmee is hij het eens.

Tot de geldverspilling van de vorige regering rekent hij ook wat hij nu vast noemt ,,het fiasco van de Olympische Spelen'' en hij klaagt, zoals zo veel Grieken uit het noorden, dat alle aandacht uitgaat naar de ontwikkeling van de hoofdstad, het ,,waterhoofd van Griekenland'' met ruim één derde van de inwoners. Diezelfde klacht vind ik terug bij zijn dochter Elly (ook afgeleid van Elisabeth) die 24 jaar is en op de landbouwschool van Arta, op het tegenovergelegen vasteland, heeft gestudeerd. Zij geeft daar nu zelf les en helpt in vakanties ijverig in de kassen mee.

Ook haar grote probleem is: hoe krijgen we de Grieken weer weg uit de steden en terug in de dorpen? Zeven van de tien leerlingen op haar school komen uit een stad en zijn niet van plan zich als landbouwkundige op het `platteland' te vestigen. Ze zoeken liever een baantje bij de overheid, iets wat bijna iedere Griek najaagt. Zelf twijfelt ze nog of ze haar studie zal voortzetten (in Athene?) of terug zal gaan naar het bedrijf van haar vader, net als haar broer Stéfanos.

Elly vindt het massale toerisme funest, de jongeren van haar eiland laten zich er economisch en psychologisch door inpalmen en weten soms niet eens meer waar de wijngaard van hun ouders ligt. Over het Albanese contingent dat de miljoen nadert is ze niet zo afwijzend als haar vader. Ze vindt dat ze hetzelfde moeten verdienen als de Grieken en niet onderop de sociale ladder moeten blijven steken. ,,Ze moeten zich kunnen ontwikkelen en eigen bedrijven stichten. Anders krijgen we een toestand waarbij wij Grieken de nieuwe landheren worden.''

Al met al het tegendeel van een Griekse doorsnee-familie. Dat komt ook naar voren in de gesprekken met Pópi, de vrolijke echtgenote van Phílippas, een Atheense die hem vergezelde bij zijn terugkeer naar het dorp en de landbouw, in 1978. ,,Ik wilde wel weg uit Athene vanwege alle anarchie daar'', zegt ze, ,,maar hier op het eiland viel ik meteen in een andere anarchie.'' De toeristische wildgroei, bedoelt ze, waar de hele familie van gruwt. ,,Toch heb ik er geen spijt van.''

Eerdere afleveringen zijn te lezen op www.nrc.nl