Tegenwind voor antwoordapparaat

Edison noemde in 1877 al de mogelijkheid gesprekken op te nemen en op de Parijse Wereldtentoonstelling (1900) werden antwoordapparaten (fonografen) getoond. Maar in Amerika wist telefoonbedrijf AT&T, bang voor afluisterpraktijken, ze decennialang te boycotten door randapparatuur te verbieden. Enkele geprivilegieerde klanten kregen wel toestemming een antwoordapparaat te gebruiken, maar AT&T ontmoedigde onderzoek bij Bell Laboratories, terwijl ingenieurs van Bell zagen dat men in Europa intussen niet stilzat.

Een van de succesvolste antwoordapparaten werd ontwikkeld door Joseph Zimmermann; hij kon met zijn verwarmingsbedrijfje geen secretaresse bekostigen. In 1948 wist hij de AT&T-boycot te omzeilen door elektrisch contact met de AT&T-telefoon te vermijden: zijn zelfbouwinstallatie lichtte de hoorn mechanisch op, vlakbij een grammofoon met welkomstboodschap en een recorder; een tafel vol apparatuur (zo'n 40 kilo). Zijn `elektronische secretaresse' viel op en een jaar later richtte hij met een compagnon de Electronic Secretary Industry op. In 1957, toen ze de rechten verkochten aan General Telephone Corp., waren er 6.000 in gebruik.

Om de vraag naar antwoordapparatuur in te dammen, had AT&T vanaf 1935 een antwoordservice opgezet; bellers werden doorgeschakeld naar telefonistes die de boodschap later doorbelden aan de abonnee.

In de jaren vijftig verschenen er meer antwoordapparaten op de markt, maar AT&T bleef eisen dat ze gehuurd werden bij geselecteerde bedrijven (aanvankelijk tegen hoge bedragen) en regelmatig een piepgeluid lieten horen ten teken dat de boodschap werd opgenomen. In 1957 stelde AT&T dat er slechts 40.000 werden verhuurd, terwijl 200.000 abonnees gebruikmaakten van de antwoordservice. Maar AT&T begon zijn grip op de ontwikkelingen te verliezen. Eind jaren zestig trad een wildgroei aan apparaten op, met de boodschap: `Verkocht met de duidelijke mededeling dat het telefoonbedrijf ze niet toelaat.' Nog meer terrein verloor het in 1968; het gerecht bepaalde dat men vrij was antwoordapparaten aan te sluiten. Tot begin jaren zeventig waren ze een luxeartikel, totdat de prijzen daalden tot zo'n 125 dollar. Vijftig jaar nadat de eerste apparaten op de markt waren verschenen, ging het opeens snel: in 1978 werden 400.000 exemplaren verkocht, begin jaren negentig bezat 60 procent van de Amerikaanse huishoudens een antwoordapparaat.

In Europa ging de introductie geleidelijker. In Nederland had de PTT een monopoliepositie. H. Kemps, directeur van Hesdo (importeur van Profoon): ,,Aanvankelijk waren er niet veel antwoordapparaten. Er konden bij de PTT slechts enkele merken worden gehuurd. Later werden ook andere merken gedoogd en in 1989 liberaliseerde het ministerie van Verkeer en Waterstaat de markt en mochten andere merken officieel worden gebruikt.''

Begin jaren negentig beschikte 15 procent van de huishoudens over een antwoordapparaat. Er was `microfoonangst', men vond boodschappen inspreken onpersoonlijk en vreesde dat `niet thuis' inbrekers uitnodigde. Maar de acceptatie groeide snel. In 1998 beschikte 46 procent van de bevolking over antwoordapparaat of voicemail. KPN was een jaar eerder begonnen met gratis voicemail, maar toen het in 2001 geld ging vragen (10 cent starttarief en 2 cent per verbinding), waren abonnees woedend (velen hadden hun antwoordapparaat weggegooid). Er ontstond een hausse. Was de verkoop in 2000 nog maar 50.000, in 2001 werden opeens weer 125.000 antwoordapparaten verkocht.

Volgens onderzoekbureau GfK betekende de mobiele telefoon de doodsklap: ,,De verkoopdaling zette eind jaren negentig in, parallel aan de opkomst van de mobiele telefoon, waarvan er in het topjaar 2000 zes miljoen werden verkocht. Later werden ze voorzien van voicemail, zodat je overal bereikbaar bent.''