Succes palmolie lijdt tot wildgroei aan plantages

Palmolie verovert de markt. In Indonesië en Maleisië worden enorme palmplantages aangelegd. De monocultuur leidt tot ,,een ravage''.

Palmolie is in opmars. In Zuid-Oost Azië verschijnt de ene oliepalmplantage na de andere. De milieubewegingen en ontwikkelingsorganisaties maken zich grote zorgen.

Na sojaolie is palmolie inmiddels de tweede plantaardige olie. Jaarlijks wordt over de hele wereld ongeveer 28 miljoen ton palmolie geproduceerd. Verwacht wordt dat de vraag naar palmolie de komende twintig jaar zal verdubbelen. ,,Hoog tijd om de ecologische en sociale ravage bij de productie van de olie aan te pakken'', zegt Vera Dalm, campagneleider van Friends of the Earth in Nederland.

Palmolie is goedkoop en bovendien heel ruim toepasbaar in onder andere pasta, margarine, koekjes, shampoo, make-up en wasmiddelen. De laatste jaren is het oliepalmareaal in de grootste productielanden Indonesië en Maleisië exponentiëel gegroeid. In 2002 was dat 84 procent van de wereldproductie.

Maar er is een keerzijde, zeggen milieu- en ontwikkelingsorganisaties zoals Friends of the Earth. In Maleisië en Indonesië zijn grote stukken tropisch woud vernietigd voor oliepalmplantages. De rijke biodiversiteit van Zuid-Oost Azië wordt geleidelijk opgeofferd voor een monocultuur van palmbomen.

De bevolking van Indonesië en Maleisië ondervindt negatieve gevolgen van de palmolieproductie. De cultuur en levensomstandigheden van een aantal inheemse volkeren, die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van het tropisch woud, worden ernstig bedreigd. Het water in de omgeving van de plantages raakt ernstig vervuild door overvloedig gebruik van pesticiden en kunstmest, met alle gevolgen van dien voor de gezondheid van de werknemers en omwonenden, aldus de milieu- en ontwikkelingsorganisaties.

Ook op het werkgelegenheidsgebied voltrekt zich volgens hen een sociaal drama. Kleine lokale palmolie-producenten worden door de grote spelers uit de markt verdreven. Voor de kleine boeren zit er niets anders op dan op de palmolieplantages te gaan werken tegen en loon van 1 tot 2,5 euro per dag. ,,Het belangrijkste is dat de werknemers een aanvaardbaar loon krijgen. En het loon op de plantages is dikwijls hoger dan wat de mensen elders kunnen verdienen'', reageert Ronald Hiel van het Nederlandse Productschap voor Margarine, Vetten en Oliën.

Binnen de Europese Unie is Nederland de grootste importeur van palmolie. Met een invoer van 2,3 miljoen ton olie per jaar is Nederland bovendien 's werelds grootste importeur na India en (3,5 miljoen ton) en China (2,8 miljoen ton) Nederlandse bedrijven zijn koplopers in de financiering en verwerking van palmolie.

Volgens verschillende niet-gouvernementele organisaties zouden de Nederlandse bedrijven dringend hun verantwoordelijkheid moeten nemen. Sommigen doen dat ook. Vroeger werd de aanleg van de plantages voor een groot deel gefinancierd door Nederlandse banken. Maar daar is vorig jaar een eind aan gekomen nadat een aantal milieu- en sociale bewegingen de grootste banken had geconfronteerd met de consequenties van hun investeringsbeleid. De banken ABN Amro en Rabobank ondertekenden in juni 2003 een gedragscode voor projectfinanciering in ontwikkelingslanden.

Toch was er de laatste jaren heel wat onduidelijkheid over de werkelijke gevolgen van de palmolieproductie. De NGO's, de regeringen en de industrie schermen met sterk uiteenlopende cijfers over de ernst van het probleem.

Om deze reden werd op 8 april in Zwitserland de Ronde Tafel over Duurzame Palmolie (RSPO) opgericht. Hierin zetelen alle mogelijke betrokken partijen: regeringen, de producenten, de verwerkende industrie, verschillende milieuorganisaties en sociale bewegingen. ,,Wij willen eerst duidelijkheid scheppen over de omvang van het probleem'', zegt Jan Kees Vis, de voorzitter van de RSPO. ,,Je moet de problemen eerst schetsen voor je een oplossing kan bedenken.''

Vis werkt voor het Duurzame Landbouwprogramma van Unilever. Unilever bezit zelf een aantal palmplantages en is bovendien de grootste inkopervan het product. RSPO-vice-voorzitter Matthias Diemer van het Wereld Natuurfonds: ,,Ik besef dat het moeilijk zal zijn om alle partijen op een lijn te krijgen, toch verwacht ik binnen zes tot twaalf maanden resultaten van de RSPO''.