Rouwrand om oliemeevaller

Dankzij de hoge olieprijs wordt het tekort op de begroting weer iets kleiner dan verwacht. Maar de negatieve effecten van dure olie maken het herstel van de economie lastiger. De paradox van Zalm.

Een geluk bij een ongeluk? Terwijl autorijders steen en been klagen over de hoge benzineprijzen aan de pomp als gevolg van de dure olie, en het prille economische herstel op de tocht kan komen te staan, plukt minister Zalm van Financiën juist de vruchten.

Zalm heeft grote moeite het begrotingstekort dit jaar onder de drie procent te krijgen die in Europees verband maximaal wordt toegestaan. De dure olie helpt hem daar nu bij. De begroting voor dit jaar is gestoeld op een aanname van het Centraal Planbureau (CPB): een olieprijs van 29 dollar. Het gemiddelde voor 2004 tot nu toe is echter nu al 4 dollar hoger: 33 dollar. Volgens de vuistregels van het CPB levert dat de schatkist, vooral via de aardgasbaten, 400 miljoen euro extra op dit jaar, en 880 miljoen in 2005. Dat is repectievelijk een kleine 0,1 procent en 0,2 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Voor een minister die met tienden van procenten in de weer is, kan het olie-effect het verschil betekenen tussen lof of reprimande van Brussel.

Dan moet de olieprijs wel 33 dollar per vat blijven. Dat lijkt steeds aannemelijker. Vanmorgen steeg de prijs weer tot ruim 38 dollar per vat, omdat de oliehandel niet gelooft in de capaciteit van Saoedi-Arabië om de productie zodanig uit te breiden dat de olieprijs kan dalen. Bovendien zit er een stevige risicopremie in de olieprijs. Terroristische aanslagen spelen de op gang gebrachte Iraakse olieproductie al parten. Maar wat als de grootste producent ter wereld, Saoedi-Arabië, door aanslagen wordt lamgelegd?

Het nieuwe uitgangspunt van een olieprijs van 33 dollar per vat voor 2004 is verdedigbaar. In het geval dat de olieprijs de rest van dit jaar geleidelijk zou dalen vanaf het huidige niveau, zou de prijs aan het eind van dit jaar slechts 27 dollar mogen bedragen om nog steeds een gemiddelde op te leveren van 33 dollar voor heel 2004. Die marge is kennelijk groot genoeg voor het kabinet om volgende week de meevaller van 400 miljoen `officieel' te aanvaarden.

Het kan nóg beter: als de olieprijs op het niveau van vanmorgen blijft, dan komt het gemiddelde voor heel 2004 uit op 36 dollar. In dat geval is er dit jaar een meevaller van 700 miljoen en volgende jaar van anderhalf miljard euro.

Dit effect is bruto. De overheid is namelijk ook geld kwijt aan een hogere olieprijs, want voor de economie als geheel is dure olie slecht. Uit de vuistregels die het CPB hanteert en aan de hand waarvan met enige regelmaat zogenoemde onzekerheidsvarianten worden geschreven, kunnen de negatieve gevolgen in kaart worden gebracht. De inflatie wordt er bijvoorbeeld door opgedreven en de langlopende rente gaat omhoog. Duurder lenen heeft een negatief effect op de investeringen van bedrijven.

Niet alleen de energieprijzen gaan omhoog. Omdat olie de grondstof is voor tal van andere producten, zullen consumenten voor een veelheid aan levensmiddelen en andere goederen hogere afzetprijzen moeten gaan betalen. Omdat de lonen in het begin niet meestijgen met de hogere inflatie, neemt ook het besteedbaar inkomen van huishoudens relatief af, hetgeen de particuliere consumptie onder druk zet.

Een nieuw economisch model van het Internationaal Monetair Fonds (IMF), het zogenoemde GEM-model, schat de inflatiegevolgen overigens tot een derde lager dan de meeste modellen, ook dat van het CPB, aannemen. Maar de negatieve gevolgen voor de economische groei als geheel zijn in vrijwel alle modellen eender.

Dat is in een tijd van pril herstel nogal gevaarlijk. ,,De olieprijs is merkbaar gestegen sinds de afgelopen herfst en een significant verdere toename kan het economisch herstel hinderen of uitstellen'', stelde de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in zijn Economic Outlook van eerder deze maand.

Lagere economische groei leidt tot tegenvallers in de begroting. De consumptie is lager, en dus vallen ook de BTW-inkomsten lager uit. En aan de hogere werkloosheid is de staat meer geld kwijt.

Toch gaat het kabinet volgende week uit van een effect van 400 miljoen, omdat de negatieve effecten zeker niet tegen de meevaller op zullen wegen.

Gaapt er dus een onoverbrugbare kloof tussen de klagende automobilist en de glimlachende minister van Financiën? Niet noodzakelijkerwijs.

Gabriel Stein, econoom bij het Britse Lombard Street Research, wees er vanmorgen op dat er een logische manier is om het inflatie-effect van duurdere olie te temmen en de koopkracht op peil te houden: een verlaging van de belastingen en heffingen op benzine. Dat zou in Nederland neerkomen op het alsnog teruggeven van het beruchte `kwartje van Kok'. Stein verwacht zulke maatregelen niet. Het wijzen met de beschuldigende vinger naar de OPEC-landen, stelt hij, is nu eenmaal veel te verleidelijk.

    • Egbert Kalse
    • Maarten Schinkel