Rauwe biefstuk

Op de twintigste mei streek ik om een uur of zes in de avond in het gezelschap van mijn vrouw neer op een terras aan het Vrijthof in Maastricht. Noem het geluk, want op een vrije dag als Hemelvaartsdag die ook nog eens `zomers' genoemd kan worden, is daar nooit plek. Ik rook rottend vlees.

We bestelden cappuccino, en ik moet zeggen dat ik verrast was door de snelheid van de bediening. Rondom ons kakelden blije mensen. Ontegenzeglijk konden mijn vrouw en ik ook tot de blije mensen gerekend worden, maar op de achtergrond van het bewustzijn zocht ik naar de herkomst van de stank. De stank was iets van mijzelf. Beter gezegd, ik herinnerde mij die stank. Hij zat al een paar uur in mijn neus. Maar waar kwam hij vandaan?

Zeker is dat ik om half zeven 's ochtends nog geen onbestemde dingen rook. Ja, de roereieren van het hotelbuffet, maar geen bedorven vlees. Om half negen rook ik door de zon verwarmd asfalt, het was al verrassend warm. Dus ik, deelnemer aan de eerste Steven Rooks Classic, stond met blote armen en benen aan de startlijn. Onvoldoende getraind, maar niet slecht gemutst. Vanaf Maastricht duiken we meteen de Voerstreek in, had Steven gezegd.

Liefst 1.600 mannen en vrouwen doken de Voerstreek in. En Voerstreek betekent: binnenblad. Ik stond versteld van de gretigheid waarmee de duik genomen werd. Vroeg was ik niet gaan slapen, buitensporig veel bier had ik echter niet gedronken, toch kwam de koffie (veel minder dan waarmee ik thuis de dag begin) als een irritant fonteintje tegen het strotklepje tikken. Echt moeilijk kreeg ik het toen een binnenvliegend vliegje de andere kant van het strotklepje begon te bewerken. De anti-peristaltiek kon slechts door een uiterst geconcentreerde ademhaling worden gedempt.

De Belgen vierden feest. Langs de huizen waren partytenten opgezet. Landerigheid is het woord dat van toepassing was op de bewegingen van de mensen. En gelijk hadden ze, met dit weer. Na een kilometer of vijftig zat ik met een paar verrotte poten, maar ik maalde er niet om. De Voerstreek lag erbij zoals God volgens mij de schepping bedoeld heeft: landerig, achterlijk, doodstil, en zonovergoten.

De Steven Rooks Classic werd een sentimental journey. Ik passeerde de dorpen Soumagne, Pepinster, Fléron. Als jong amateurtje had ik in die dorpen kermiskoersen gewonnen. Kermiskoersen mét pittige helling, dat wel. En rondemissen, van het beste dat de streek te bieden had. In die tijd streek ik in de weekeinden met een koersmaat neer op een camping om een heel weekeinde lang het beste van de streek in de benen te voelen.

Achter de cappuccino op het Vrijthof herinner ik me de allereerste kampeersessie. We hadden een bungalowtent bij ons. Na een uur of vijf stond die wel. Toen werd de gaspit ontstoken, want wie koerst moet goed eten. En opeens weet ik weer hoe rauwe biefstuk ruikt die een hele dag in een hete kofferbak heeft gelegen.