Pareltjes van de jarige Biesheuvel

Gisteren feliciteerde uitgeverij J.M. Meulenhoff de schrijver J.M.A. Biesheuvel in diverse kranten met zijn 65ste verjaardag, op 23 mei. De Revisor bevat deze maand zes korte verhalen van Biesheuvel, die de laatste jaren weer mondjesmaat nieuw werk aan zijn oeuvre toevoegt, vaak in miniaturen. Zo begint de sectie Biesheuvel met het pareltje De geheimraad. Het gaat over een man die niet alleen kan zijn. ,,Zijn vrouw heet Liza en is er niet best aan toe. Ze lijdt aan kanker en ze is pas tweeënzestig.'' Na haar dood besluit zijn tweelingbroer Matthias bij hem in te trekken en het bed te delen met zijn broer, die immers niet alleen kan zijn. ,,En zo liggen die twee mannen in het holst van de nacht. Zo fijn! `Maar het was toch beter geweest met Liza', zegt de geheimraad.''

Dat hij het ook minder lieflijk kan, laat Biesheuvel zien in een even sterk verhaal waarin een cipier buiten zinnen raakt door het devote gezang van de ter dood veroordeelde van de volgende dag. Die is onschuldig is maar ,,hij zal me volgen als een lief veulentje''. Dat is onverdraaglijk en plaatsvervangende agressie regeert dus de bewaker: ,,Voor we naar bed gaan, sla ik nog een stoel door het raam.'' Al vergeet de schrijver niet te melden hoe er voor het gesneuvelde glas nog voor het slapen gaan beschermend hout getimmerd wordt. Dat hij het ook minder goed kan, laat Biesheuvel trouwens zien in het laatste verhaal, over de voorspelbare wederwaardigheden van een arme koning.

Miniaturen komen ook aan de orde in het essay van Rudi Fuchs, die zich buigt over de vraag wat er nu zo mooi is aan het werk van Hafid Bouazza. Het antwoord zoekt hij in termen die hij ontleent aan de beeldende kunst: ,,In ieder geval toont het miniatuur een geduldige aandacht voor detaillering, variatie van detaillering en volheid van detaillering die te bespeuren is in het proza van Bouazza.'' Dat kun je, zoals bij Bouazza vaak wordt gedaan, associëren met Arabische minitauurkunst, maar Fuchs stuurt zijn redenering een andere kant op: die van de kunstenaar Domenico Bianchi en de nadruk op ,,de schoonheid van het individuele ornament'' in een installatie die deze in Rome maakte. Het leidt Fuchs – op zevenmijlslaarzen, maar dat mag – tot het signaleren van ,,een nieuwe canon van wat mag en niet mag''.

Verder veel poëzie van onbekende dichters in de Revisor, zoals het opmerkelijk vormgegeven werk van André Tempi en voor de mond van Harlinda Vekemans (,,op de evennachtslijn van ogen en oren/ wordt een woord een beeld lang en een klank kort/ verguld versneden: murmel me/ nur ein Schlummer'') waarin het fraaie ornamentje `murmel me' zo in Fuchs' nieuwe canon kan. Dat geldt zeker ook voor de regels ,,Daar was je dan een grote jongen voor geworden,/ Je kon net zo goed een nijlpaard in zijn bellen blaffen'' uit de cyclus Lagen van liefdadigheid (oorlogstaferelen) van veteraan Hans Verhagen.

De Revisor, 2004, nummer 2 (mei)

Uitg. Querido, 84 blz. €11