Meedoen of aftreden

Prachtig debat. Mogen ministers in het kabinet om een `aantekening' vragen dat zij tegen een genomen besluit zijn? Bijvoorbeeld als het gaat, zo dadelijk, over de verlenging van de aanwezigheid van Nederlandse soldaten in Irak? Zouden bijvoorbeeld de ministers die lid zijn van D66 niet zo'n `aantekening' mogen vragen? En overigens op hun plaats blijven zitten, terwijl het snel `gelekte' nieuws over hun afwijkende positie door de media gaat?

Nee, dat kan natuurlijk niet. De eenheid van regeringsbeleid brengt mee dat alle ministers altijd geheel achter genomen kabinetsbesluiten staan. Er mag in het kabinet lang en heftig gedebatteerd zijn, met aftreden zijn gedreigd, met deuren zijn gesmeten, er mag uiteindelijk maar een krappe meerderheid voor of tegen een voorstel zijn geweest, maar wanneer eenmaal een besluit is gevallen zijn alle ministers daaraan gebonden.

Wie zo'n besluit niet kan dragen, treedt af. Zo iemand heeft dan pas, en dan alleen, de gelegenheid om iedereen die het horen wil te vertellen waarom hij of zij tegen was en tot die ingrijpende stap is gekomen. Anders houdt hij of zij de kiezen op elkaar. Want over een debat in de ministerraad mogen landgenoten per saldo veel horen, de uitkomst met een uitvoerige toelichting bijvoorbeeld, eventueel verder uitgewerkt in een brief aan het parlement. Maar zo'n debat kan binnen het kabinet onmogelijk worden gevoerd, wanneer alle ministeriële deelnemers de mogelijkheid, of zelfs het recht, zouden krijgen op een uitzonderingspositie. Of het recht om te (laten) vertellen waarom zij in enige belangrijke fase van de discussie het, om welke reden ook, een flinke slag anders zagen dan de collega's.

Van het roemruchte kabinet-Den Uyl (1973-1977) werd met recht wel gezegd dat zijn ministers vaak ,,vechtend over straat rolden''. Dat maakte het, voor zover politiek het af en toe ook van dramatische verbeelding moet hebben, tot een prachtkabinet, een permanent feest, zeker ook voor de journalistiek, die destijds in veel gevallen sympathiseerde met de progressieve meerderheid in Den Uyls ploeg. Maar in staatkundig opzicht was dat kabinet, met zijn openlijk twistende en elkaar kwetsende ministers, geregeld een slonzige bedoening. In latere jaren hebben sommigen van hen trouwens nog stevig spijt gekregen van die verbale krachtpatserij over de leuke dingen voor de bevriende publieke tribune. Want dualisme tussen kabinet en parlement is mooi, maar `openbaar dualisme' binnen een kabinet is verkeerd. Het is ook daarom dat de notulen van de ministerraad vertrouwelijk zijn en pas na een kwart eeuw openbaar kunnen worden gemaakt.

Zo gezien had premier Balkenende afgelopen zaterdag voor de EO-televisie alle gelijk van de wereld, toen hij zei dat hij aangaande een komend besluit over een verlenging van de militaire missie in Irak aan geen enkele minister een uitzonderingspositie wil toestaan. Meer nog: Balkenende kán dat niet eens, hij kán de eenheid van regeringsbeleid niet per geval geheel of gedeeltelijk laten verwateren. Hij deed afgelopen zaterdag dus niet aan power play jegens de ministers van D66, zoals het heette in de Volkskrant van gisteren, maar hij gaf een nogal vanzelfsprekend antwoord op een vraag naar de bekende weg. Evenmin kan het zo zijn dat er in het verleden, bijvoorbeeld tijdens het kabinet-Kok II, wél zo'n recht van `aantekening' zou hebben bestaan. En dat de ministers Pronk (PvdA) en Brinkhorst (D66) van dat recht gebruik zouden hebben gemaakt toen dat kabinet, mogelijk tegen hun zin, besloot deel te nemen in de ontwikkeling van de Joint Strike Fighter (JSF). Ja, goedendag, misschien hebben Pronk en Brinkhorst zich indertijd in de ministerraad tegen dat besluit verzet, en misschien vinden zij dat besluit als privé-persoon nog steeds niet best. Maar daar hebben we niets mee te maken, we hebben alleen te maken met dat kabinetsbesluit en met het feit dat alle ministers destijds aanbleven en dus (per definitie) met dat besluit instemden. In dit verband was de grootste onzin aller tijden te vinden in het regeerakkoord van het korte en onzalige tweede kabinet-Van Agt (1981-1982). Dat akkoord bepaalde over de plaatsing van kruisraketten dat een besluit daartoe weliswaar niet was uitgesloten, maar dat de PvdA-ministers zouden aftreden wanneer het zou worden genomen. Zodat het gebrek aan eenheid van het regeringsbeleid al voor de toekomst was vastgelegd. Geen wonder dat dat kabinet minder dan een jaar bestond.

Ministers hebben de mogelijkheid, soms de plicht, vóóraf een rol te spelen in discussies, zolang er nog geen kabinetsbesluit gevallen is. Hun eigen inzicht, hun ambtelijk apparaat of hun politieke partij kunnen daartoe dwingen. Bekend voorbeeld daarvan, en ook van de risico's die dat soms kan hebben, was ooit, ook in de tijd dat Van Agt premier was, die minister van Onderwijs die zich erg bedreigd voelde door het snoeimes van Financiën. Die minister liet in de maanden waarin het kabinet de nieuwe begroting opstelt, de zomermaanden dus, via zijn departement bij media het ene na het andere rampenscenario uitventen voor het geval de onbarmhartige plannen van Financiën kabinetsbeleid zouden worden. Met als resultaat dat de collega's in het kabinet gaandeweg in de lach schoten over de dagelijkse verhalen in de media over het dreigende tragische lot van het onderwijs. Die minister kwam alleen te staan en moest uiteindelijk het volle pond betalen. Zeker, je hoort of leest af en toe wel degelijk dat bepaalde ministers het in bepaalde gevallen achteraf eigenlijk oneens zijn met kabinetsbesluiten. Maar dat je dat hoort en leest, bijvoorbeeld wanneer het kwesties betreft waarbij de minister zijn geweten of zijn politieke aanzien bij de achterban in gevaar ziet, is veelal het gevolg van `gerichte lekkages'. Zulk gedrag – aanblijven maar intussen laten uitlekken dat je eigenlijk tegen bent – maakt een minister niet erg bemind bij zijn collega's en is slecht voor het kabinet waartoe hij behoort. Zulke ministers zijn, hoe vaak zij ook berichten over hun geprangde gemoed laten doorsijpelen en hoe verheven zij zichzelf en hun mooie motieven ook mogen (laten) presenteren, weinig meer dan politieke opportunisten.