Instellingen: `Kunstrapport is veel te simpel'

Gisteren verscheen het rapport `Zuinig op ondersteuning' dat bureau Berenschot schreef over bezuinigingen bij culturele instellingen. Enkele reacties van betrokken instellingen.

Te simpel, slordig, onduidelijk en doet geen recht aan de werkelijkheid. Dat zijn de reacties van ondersteunende kunstinstellingen op het rapport Zuinig op ondersteuning van adviesbureau Berenschot dat staatssecretaris Medy van der Laan heeft laten opstellen. Jaap van Beusekom van het Nationale Popinstituut: ,,Berenschot is de enige die van dit kostbare rapport beter wordt. Het is haastwerk, dat zie je zo. Wat ontbreekt is een analyse van hoe de sectoren functioneren.''

In totaal gaat Van der Laan de komende vier jaar jaarlijks 390 miljoen euro aan kunst uitgeven, 19 miljoen minder dan nu. Om de échte kunstenaars te ontzien wil staatssecretaris Medy van der Laan vooral bezuinigen op ondersteunende instellingen. Samen ontvangen deze momenteel 55 miljoen euro; een kwart van de huidige begroting. Van der Laan wil daarop tien procent (5,5 miljoen) bezuinigen. Voor de invulling daarvan heeft ze advies gevraagd aan adviesbureau Berenschot.

In de kunstsector zelf heerst echter onduidelijkheid over de term `ondersteunend'. Berenschot noemt een aantal instellingen die zichzelf geenszins als louter ondersteunend zien. Ondersteunende instellingen maken niet zelf kunst maar hélpen andere kunstinstellingen om kunst te maken. Voorbeelden: het Nederlands Muziekinstituut (NMI), het Theaterinstituut, de Boekmanstichting. Probleem is echter dat veel van dat soort instituten bijvoorbeeld ook een musueumfunctie hebben, waardoor ze toch weer onder `producerend' vallen. Ook alle opleidingen en werkplaatsen waar beginnende kunstenaars terecht kunnen, zoals de Ateliers en de Rijskacademie, vallen onder `ondersteunend'.

Hans Nieuwenhuis van de werkplaats Opera Studio: ,,In het advies van de Raad voor Cultuur worden wij juist `niet ondersteunend' genoemd, maar `talentontwikkeling' en dat is een adequate term. Berenschot heeft geen goed beeld van wat wij doen. Ik kan me niet voorstellen dat Van der Laan in de illusie leeft dat Berenschot gelijk heeft.''

Volgens Berenschot is het onzin dat in de muziek ieder genre zijn eigen ondersteuned instituut heeft. Jaap van Beusekom, Nationaal Popinstituut: ,,De verschillende genres van de popmuziek zijn qua uitvoering en subsidieniveau niet op één lijn te zetten. Waar ik het mee eens ben is dat er in de loop van de decennia ontzettend veel instellingen bij zijn gekomen. Maar dat is aan de Nederlandse staat zelf te wijten.''

Cas Smithuijsen van de Boekmanstichting, een studiecentrum voor kunstbeleid: ,,Ik kan mezelf niet terugvinden in het advies. Volgens mij heb ik maar de helft van de papieren gekregen, want ik mis een uitleg en beschrijving per instelling.'' Smithuyzen stoort zich er aan dat hij nu met de Raad voor Cultuur én met Bureau Berenschot te maken heeft: ,,Hoeveel keer moeten we eigenlijk examen doen? Ik ben niet tegen het meten van effectiviteit, maar hoe worden we nu gemeten, zoals de Raad dat wil of zoals Berenschot nu voorstelt?''

Kees Vuyk van het Theaterinstituut: ,,Het is een redelijk genuanceerd advies waarin op een hoog abstractieniveau naar de sector gekeken wordt. Ik vind het idee van één ondersteuner per kunstsector goed: het beleid is nu inderdaad te versnipperd en onoverzichtelijk.''

Janwillem Schrofer, Rijksacademie van Beeldende Kunsten: We zijn niet ondersteunend, we hebben zestig jonge kunstenaars die produceren als een gek!''