IJs eten

Samen met moeder feestvieren in de ijssalon. Een voorpublicatie uit de deze week te verschijnen novelle `Levend laken' van Achterpagina-medewerkster Monica Metz.

Mijn moeder is groot en draagt een kartonnen doos vol groenten die op haar buik steunt. Ze loopt een eind voor mij uit en helt flink achterover. Haar ellebogen steken opzij uit, de preistelen over haar schouder.

Met de zware boodschappentassen, die ik niet over straat mag slepen, kan ik haar nauwelijks bijhouden. Maar wanneer ze dit tempo volhoudt, zijn we wel precies op tijd bij het stoplicht om over te steken. Zo niet, dan moeten we rennen, maar dat doet ze waarschijnlijk niet met die buik. Het is warm, de handvatten van de tassen glijden bijna uit mijn handen.

Waarom staat ze nu stil? Zo halen wij het stoplicht nooit. Ze draait zich zonder haast naar mij om en zegt: ,,Zullen we een ijsje nemen?'' Plof, nu staan mijn tassen toch op straat.

Het is druk in de zaak. Achter de toonbank staan twee van de drie broers ijsjes te scheppen. De derde, de magere, buigt zich over het cilindervormige vat van de ijsmachine en kijkt op zijn horloge om te zien of het ijs al goed is. Wanneer ze mij zouden vragen om te controleren of het ijs al goed was, zou ik niet op mijn horloge kijken, maar proeven! Van onder de toonbank neemt hij een houten spatel zo groot als een roeispaan, hij duwt die in de cilinder en haalt een reusachtige mep ijs omhoog.

,,Kaik uit'', roept hij met een stem alsof hij de oudste van de drie is. De `opscheppers' doen een stap achteruit en drukken zich – met ijsjes en gereedschap in de geheven handen – tegen de muur alsof iemand een pistool op hen richt. De magere beweegt de spaan door de lucht en kwakt het ijs in de dichtstbijzijnde bak. Ook de tweede bak krijgt een volle mep. Als ik toch eens zo'n spatel mocht leegeten!

Zou mijn moeder al aan de beurt zijn? Ik zoek onder de vrouwen van haar lengte, en focus op de kleur van haar haren. In de drukte zie ik haar niet.

Een jongetje met dunne vingers pakt een wafel aan, likt voorzichtig en steekt zijn tong naar mij uit. Ik slik mijn speeksel in.

Ze is achter in de zaak op een van de stoeltjes neergestreken en zit kaarsrecht, haar buik tegen de rand van het tafeltje.

,,Je mag hier niet zitten'', fluister ik en ik wijs haar op het verbodsbordje aan de betegelde muur. Zij lacht en pakt de kaart. ,,Wij eten vandaag geen gewoon ijsje; vandaag doen wij duur.'' Prompt ga ik zitten.

Op de kaart staan afbeeldingen van opgetutte schaaltjes en coupes. Wafels, vruchten en siropen moeten de indruk wekken dat het om soepborden vol gaat, maar ik weet allang dat de porties tien keer zo klein zijn als ze lijken.

,,Deze of die?'' vraagt mijn moeder. Haar vinger wijst de allerduurste schaaltjes aan.

,,Of heb je liever een coupe?'' Ik kijk haar aan. De coupes bevatten minder bolletjes dan de schaaltjes. Ze plaagt me.

,,Die bolletjes'', waarschuw ik, ,,zijn even groot als de bolletjes die ze aan de toonbank maken. Dus als je aan de toonbank een hoorntje met vijf neemt, heb je precies evenveel ijs als bij een schaaltje. Misschien kunnen we in plaats van die vruchten en die siroop extra bolletjes krijgen.'' Mijn moeder slaat haar arm om mijn schouder.

,,Als jij geen dochter van mij bent... Wij hoeven al die liflafjes niet, hè? Wij zien al die poespas liever omgezet in zoveel mogelijk ijs.''

Ze wenkt de magere broer. Omdat er voor onze vraatzucht geen schaaltjes bestaan, bestelt ze twee kartonnen bekers Gezinsformaat, die ter plekke geleegd zullen worden. Ze krijgt alles voor elkaar.

,,Met slagroom?'' vraagt de man. Wij overleggen met een blik en knikken toegeeflijk als strontverwende meiden. De man perst de gezinsbekers vol, strijkt ze glad af en houdt ze omhoog onder de slagroomkraan. Daar komt eerst niets uit. Dan klinkt een zacht sputteren en wordt de room met onderbrekingen naar buiten gestoten. De ijsman draait de bekers rond en levert de roomspiraal af met een puntje.

Zwijgend vallen wij aan. We lepelen als gekken en houden de afstand tussen mond en ijs zo klein mogelijk. Iedere keer wanneer we onze lippen over zo'n koud romig hapje sluiten, kreunen we en giechelen als stoute kinderen.

Natuurlijk hoeft ze mij niet uit te leggen dat wij voor eventuele de-ijszaak-passerende-gezinsleden onzichtbaar moeten blijven. Ook spreekt het vanzelf dat ik thuis met geen woord van onze extravagantie zal reppen.

Tegelijk schrapen wij het houten lepeltje over de bodem van het karton. En dan zegt mijn moeder iets wat alle perken te buiten gaat: ,,Nog een kleintje toe?''

Monica Metz: Levend laken, Prometheus,

140 blz. €15,00