Ieder voor zich, of allen tezamen

Samen sparen voor prepensioen is veel goedkoper dan individuele regelingen. Toch voeren kabinet, bonden en werkgevers een ideologische strijd om een akkoord over nieuwe regelingen.

Vijf van de zes werknemers kennen de basisingrediënten van hun eigen pensioen niet. Al gaat het om een gemiddeld pensioenpotje van 60.000 euro.

En nu draait in de sociaal-politieke onderhandelingen over prepensioen opeens alles om de vraag of werknemers bij prepensioen zelf keuzes moeten maken of deelnemen in collectieve regelingen.

,,De sleutel voor een akkoord ligt bij de vrijwilligheid'', zei CNV-voorzitter D. Terpstra gisteren nadat een lijmpoging voor het overleg tussen werkgevers, werknemers en kabinet was mislukt. De scheidslijn is overzichtelijk. Het kabinet kiest voor ideologie: keuzevrijheid, werknemers mogen uit de regeling stappen en alle ingelegde premies meenemen. De werkgevers kiezen praktisch: liever het kabinetsvoorstel dan niets. FNV kiest voor ideologie: verplichte collectieve regelingen, net als bij `gewoon' pensioen.

Het touwtrekken met prepensioen en levensloop had op 1 april afgelopen moeten zijn, dat was de datum die in het Najaarsakkoord over loonmatiging was genoemd. Nu zijn de onderhandelaars de verlenging al voorbij en is iedereen terug bij af: het kabinet zet zijn oorspronkelijke plan door om aan de fiscale faciliteiten voor prepensioen een eind te maken. De fiscale steun voor VUT-regelingen was door het vorige kabinet al op termijn (2011) beëindigd.

Alle maatregelen moeten werknemers stimuleren om langer door te werken en moet de arbeidsdeelname van 60-plussers verbeteren. Meer werkenden maken het gemakkelijker om de vergrijzingskosten, zoals AOW en `zorg', te betalen.

De ideologische strijd om vrijwillig dan wel verplicht meedoen met prepensioenregelingen is al eerder gestreden, namelijk om de `gewone' pensioenregelingen en toen compromisloos beslist. Verplichte collectieve afspraken bleken veruit superieur aan individuele regelingen. (Al kunnen in collectieve fondsen best individuele elementen zitten, zoals een belegger die ook zijn eigen aandelen heeft in een collectief beleggingsfonds als Robeco.)

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), een denktank die het kabinet adviseert, liet in 1999 door adviesbureau Ortec onderzoek doen naar solidariteit en individualiteit in pensioenen. Het onderzoek ondersteunde een dik rapport, over generatiebewust beleid, dat de geluksgeneratie van de naoorlogse babyboomers opriep de onverwachte meevallers van de hoge rendementen uit die jaren (reserves) door te geven aan volgende generaties.

De uitkomsten van het Ortec/WRR-onderzoek waren eenduidig. Neem een identieke tweeling, waarvan de een als 25-jarige werknemer verplicht wordt mee te doen met een collectief pensioen en de ander, als een vrije werknemer, zijn eigen keuzes maakt. De uitkomsten zijn voor de ,,vrije jongen'' schrikbarend slechter dan voor de solidaire werknemer, concludeerde een van de onderzoekers, G. Boender, toentertijd op een congres van de WRR over het onderwerp. Om dezelfde uitkomst te krijgen als de solidaire werknemer moest de vrije jongen twee keer zo veel betalen. Alleen als hij vanaf zijn 25-ste direct zou beginnen met al zijn geld in aandelen te steken, extra geld zou inleggen als dat nodig is en op latere leeftijd minder aandelen als belegging zou nemen, zou hij zijn positie verbeteren. Dan zou hij ,,maar'' 50 procent duurder uit zijn.

De winst van de solidaire werknemer zat 'm in twee kenmerken van een collectief pensioenfonds: reserves (inmiddels grotendeels verdampt) en een langere horizon voor beleggingen, zodat meer in aandelen belegd kan worden. Aandelen, zo is de vuistregel, leveren op langere termijn extra rendement op, en daarmee kan de werknemer de inflatie bijbenen.

Wanneer werknemers zelf mogen beslissen of en wanneer zij met hun inleg uit een collectief fonds stappen, zal het beleggingsbeleid al snel minder optimaal op de lange termijn gericht zijn. En ook sparen voor pre-pensioen is sparen voor de lange termijn, en nog duur bovendien ook: door het prepensioen daalt het aantal jaren waarin gespaard wordt. Tegelijk moet een werknemer extra hard sparen voor zijn gewone pensioen, doordat hij eerder stopt met werken, tenzij mensen dat tijdens hun prepensioen willen voortzetten.

De uitkomst van een regeling met volledige uittredingskansen is: of een lager prepensioenbedrag, of hogere premies dan nodig is. Voor dat eerste betalen werknemers zelf de prijs, de tweede uitkomst komt voor rekening van werknemers en werkgevers die een hogere prepensioenpremie betalen, bovenop op toch al blijvend hoge pensioenpremies. Bovendien komt een deel van die premielast, via de twee miljoen werknemers bij overheden en in de zorg, weer bij de samenleving terecht in de vorm van belastingen en zorgpremies. En de hogere (fiscaal aftrekbare) premies voor álle werknemers beperken de inkomsten uit de loonbelasting die minister Zalm van Financiën ontvangt.