Huong Thanh

De vader van Huong Thanh was een eerste generatie Cai Luong-zanger. In zijn tijd fronsten puristen over deze hybride van Noord-Vietnamees theater, Zuid-Vietnamese kamermuziek en Franse chansons. Voor Thanh's zus, die in vaders voetsporen is getreden, geldt dat de nieuwlichterij van toen vandaag doorgaat voor klassiek. Maar Thanh zelf heeft van haar vader het instinct geërfd om op behoudende tenen te gaan staan. Nadat ze naar Parijs verhuisde zette gitarist en landgenoot Nguyên Lê haar op het jazzpad. Niet dat de zangeres ooit als Sarah Vaughan of Billie Holiday zal klinken. Maar de timing van haar woorden, die voor westerse oren klinken als een opeenvolging van `ting'- en `tang'-klanken, kreeg wel iets swingends. Dat was al te horen op haar vorige albums Moon & Wind en Dragonfly. Maar op Mangustao gaat ze nog een stapje verder. De belletjes, houten fluitjes en Vietnamese luit krijgen gezelschap van Noord-Afrikaanse snaar- en percussie-instrumenten. Lê's uiterst gestileerde gitaargeluid en synthesizers duwen het geluid soms bijna tot over de rand van de edelkitsch. Een groepje honingzoete mannenkelen zorgt voor een warmbloedige inbedding van Thanh's stem. Want die blijft het middelpunt. Ze is perfect zonder zielloos te zijn, buigzaam zonder aanstellerig vertoon van virtuositeit. En enorm aanstekelijk. Voor je het weet zit je de rest van de dag `tingtangtangtang' voor je uit te zingen.

Huong Thanh: Mangustao (ACT, 9423-2) Distr Culture