Tijd rijp voor herwaardering dichter Adriaan Roland Holst

Zaterdag werd in het kustdorpje Bergen de 116de geboortedag van Adriaan Roland Holst gevierd. Van de dichter verschijnt een nieuwe verzamelbundel.

Adriaan Roland Holst had zijn vaste stoel aan het venster, in café Het huis met de Pilaren. Daar dronk de dichter jenever, debiteerde zijn bon-mots en graaide naar passerende damesbillen, zo wil de overlevering. Van 1921 tot zijn dood in 1976 woonde hij in het kunstenaarsdorp Bergen, vlakbij de duinen, de zee, de meeuwen en de wolken die zo prominent in zijn gedichten figureren.

Afgelopen zaterdag, een dag voor de honderdzestiende geboortedag van Roland Holst, werd de verzamelbundel Gedichten 1911-1976 gepresenteerd in de Ruïnekerk, vlakbij zijn stamcafé. De laatste decennia werd zijn poëzie door critici verguisd, nu lijkt de tijd rijp voor herwaardering. ,,Roland Holst is terug'', sprak Jan van der Vegt, de bezorger van het boek en biograaf van de dichter.

Het bijna duizend pagina's dikke Gedichten 1911-1976 verschijnt bij Meulenhoff/Manteau, een speciaal fonds met boeken die op de een of andere manier de grens tussen de Nederlandse en de Vlaamse cultuur overschrijden. Roland Holst woonde voor de oorlog een tijd in Brussel en zijn poëzie werd ook door de Vlamingen gelezen en gewaardeerd. Tegenwoordig is dat wel anders: in Vlaanderen en in Nederland is de naam van de voormalige Prins der Dichters ,,tot een echo verbleekt'', zoals literair criticus Arjan Peters het zaterdag formuleerde.

Bij de verschijning van de biografie in 2000 werd Roland Holst door de media vooral neergezet als een ,,billenknijpende dandy, waarmee vergeleken Ruud Lubbers een schuchtere beginneling is''. De grote waarde van zijn poëzie werd daarbij vergeten, aldus Peters. Is Roland Holst dan niet achterhaald? Peters: ,,Deze dichter was van meet af aan verouderd, niet met de tijd meegaan was steeds de inzet van zijn dichterschap.'' Een vooruitstrevender collega en plaatsgenoot, Lucebert, erkende het belang van zijn poëzie.

,,Zeg dat deze dode dichter nog een beboterde schim is of de roepklok der koude een hoestbui door de bloedbaan.' '[...] ,,Een ,,broos maar verschrikkelijk paard'' en ,,de grote pooier der muzen'', zo omschreef Lucebert Roland Holst na diens dood in een gedicht; een onorthodoxe uiting van zijn hoogachting.

Het is een daad die ,,tegen de tijdsgeest ingaat'', volgens Arjan Peters, het opnieuw uitbrengen van deze verzamelde gedichten. Want welke nieuwe lezers zouden zich in deze weliswaar fraaie maar ook retorische en soms hermetische verzen willen verdiepen? Misschien zullen het vooral de oude lezers zijn die het werk opnieuw ter hand zullen nemen. Het voordeel van dit boek is, volgens de samensteller Jan van der Vegt, dat het de tekst bevat van de zeventien bundels die Roland Holst heeft gepubliceerd en wel in de laatste door de dichter gecorrigeerde en geautoriseerde versie. Terwijl de tweedelige verzamelbundel die Van Oorschot in 1981 uitbracht de tekst bevat van de eerste druk van alle bundels.

De editie uit 1981 was pas na tien jaar uitverkocht. Of het met deze nieuwe verzameling sneller zal gaan is de vraag. Van der Vegt hoopt op een opleving van de belangstelling, en een kentering in de waardering: Roland Holst moet weer gezien worden als een van onze grootste dichters. Het was toch niet zijn eigen schuld dat hij zo buitensporig vereerd werd als de Prins der Dichters? De betrekkelijkheid daarvan zag hij zelf ook wel in. Zo dichtte Roland Holst in 1958, nadat hij de zoveelste prijs in ontvangst had genomen:

,,Leeg en gehuldigd

kwam hij thuis,

vermenigvuldigd

tot een muis.''

    • Martijn Meijer