Moedervlek

Lopend langs de arcades van de Rue de Rivoli dacht ik alvast aan de laatste zondag van juli. De Parijse boulevards zullen weer zijn afgezet met hekken, de camera op de kraan ter hoogte van de Obelisk op Place de la Concorde krijgt de eerste renners in het vizier. De Tour de France komt thuis. Verscholen in de buik van het peloton concentreert de drager van de gele trui zich op het wegdek, zijn voorwiel en het achterwiel van zijn voorganger.

An American in Paris.

Lance Armstrong kan zijn zesde winnen. Een record. Knap en saai. Zeer saai. Ik haat meervoudige Tourwinnaars, ik wil in juli geen Amerikaanse winnaar in Parijs. Liever een Est, een Let, een Belg, desnoods een Fransman, voor mijn part een onbekende Koerd. Maar ik zal er niet aan ontkomen, Parijs is straks in de ban van de Amerikaan.

Afgelopen zaterdag kreeg ik al een voorteken op boulevard Saint Germain. Op het terras van een café werd mijn aandacht getrokken door een stola om een vrouwenhals. Waar zie je tijdens een warme meimiddag nog een paarse stola, losje liggend op de schouders? Juist, in Parijs. Bij nadere bestudering werd de stola nog mooier, het kledingstuk hoorde bij de bleke huid van de actrice Isabella Rosselini. Ik zag een moedervlekje onder de stola naar me knipogen in de voorjaarszon. Ik had geen tijd meer voor het spellen van interviews met Thierry Henry en Roger Federer in de Franse sportkrant. Alle sport kon me gestolen worden, ik concentreerde me op het vlekje en associeerde er lustig op los. Dit heuveltje op de huid was het vulkanisch eiland Stromboli waar haar ouders – de actrice Ingrid Bergman en de regisseur Roberto Rosselini – tijdens het filmen verliefd werden.

Isabella zat moederziel alleen aan het tafeltje. De ober herkende haar, ze hoefde niet te wenken, hij liep al haar kant op. Even later kwam hij terug met een salade, een glas witte wijn, een club sandwich en een grote cola. Dit kon onmogelijk de lunch van Isabella alleen zijn. Met haar getuite mond knakte ze een fris slablaadje en keek de boulevard af. Ze zwaaide. Daar was een man. Jammer. Een hele dikke man, met een grijze baard. Hij hapte in de club sandwich waar een straaltje wit sap uitlekte. Hij deed zijn mond open, ik hoorde Amerikaans.

An American in Paris. Ik wil geen Amerikaan in Parijs.

In de hotelkamer herkauwde ik de sport van de dag. De Franse zender toonde een valpartij tijdens de eindsprint in een etappe van de Giro d'Italia. Alessandro Petacchi won voor de zesde keer. Knap en saai. Wat beweegt een wielrenner om zes keer te willen winnen? Ik deed de televisie uit.

Zondagavond hoorde ik dat dit weekend de zegetocht van Lance Armstrong in Frankrijk is begonnen. Hij won een bergetappe in de Ronde van de Languedoc-Roussillon. De Amerikaan is al twee weken in Europa, zo bleek. ,,Ik ben meteen na aankomst gaan trainen in de Alpen.'' Er stond al 2000 kilometer op zijn teller, getraind in de bergen. Ik word al moe bij de gedachte die afstand per auto af te leggen. ,,Ik zit dicht tegen de vorm aan die ik in juli moet hebben'', zei Armstrong. Liegbeest. Hij is nu al beter dan wie ook.

Vanaf de maan gezien zijn we allen even groot, beweert Multatuli. Niet waar. Vanaf de maan gezien – het is niet anders – steekt Lance Armstrong met kop en schouders boven het hele peloton uit.

Je kunt er voor vluchten, uren naïef wegdromen in het bruin van een moedervlek, het helpt allemaal niets. Een Amerikaan is altijd om de hoek. De Tour is beslist. Voor de zesde keer hetzelfde liedje. An American in Paris.

    • Wilfried de Jong