Imponerende hommage aan Charles Ives

Op vrijdag 6 september 1901 werd de Amerikaanse president William McKinley neergeschoten tijdens zijn bezoek aan de Buffalo Exhibition. Terwijl de natie bad om zijn herstel, overleed de president met de hymne Nearer, My God, To Thee op de lippen. Het maakte grote indruk op componist Charles Ives (1874-1954), wiens vijftigste sterfdag zaterdag in het Concertgebouw door de Matinee werd herdacht met een indrukwekkend en imponerend concert.

Voor de Republikeinse campagne van McKinley had Ives in 1896 het lied William Will gecomponeerd. Een jaar later onderstreepte hij diens inauguratie met een Intercollegiate March voor harmonie-orkest. Maar het meest indrukwekkend werd Ives' eerbetoon aan de dood van de president met de Memorial Slow March, die uiteindelijk als een apotheose terecht kwam in het slotdeel van de Vierde symfonie (1909-1918,1927). Die Vierde werd tevens Ives' laatste voltooide compositie voor groot orkest.

Charles Ives wordt altijd geroemd om zijn oorspronkelijke collage-stijl van tegen elkaar opbotsende marsen, fanfares en straatgeluiden. Die behouden daarbij hun eigen karakter, en vormen in het uiteindelijk resultaat geen synthese. Een voorbeeld daarvan biedt het tweede deel van de Vierde symfonie, dat het beste valt te omschrijven als Dantes Inferno op aarde. In een steeds wisselend geluidsdecor is dit hoorndol makende muziek. In het eerste deel vormt het Nearer, My God, To Thee in vrije ritmiek juist wél een vast decor. Het derde deel is het daarna meest formalistisch, en grijpt terug op een fuga uit 1896, zoals een groot deel van het materiaal in deze symfonie is gebaseerd op citaten uit werken uit de periode 1896-1911. In het laatste deel sluit Ives de cirkel met de hymne die de president op zijn sterfbed murmelde.

Dirigent/componist Leonard Bernstein vroeg zich al eens af of die gebalde collages niet te veel de aandacht afleiden van Ives' vermogen om minstens zo persoonlijke langzame delen te componeren, in dialoog tussen subject en natuur. Of, in de woorden van Ives: tussen Me and Not-Me. In 1998 bood het Rotterdams Philharmonisch Orkest alle ruimte voor nuanceringen juist in die tere tinten – als vallende herfstbladeren op het water.

De voor Edo de Waart invallende Zsolt Nagy, een talent uit de school van Peter Eötvös, plaatste het accent nu vooral op het spectaculaire karakter van deze muziek, met slagwerk opgesteld op het zijbalcon van het Concertgebouw, en pauken en piano vooraan rondom de dirigent. Benjamin Walfisch kreeg daardoor als assistent-dirigent meer te doen dan gebruikelijk; hij was in drie delen actief. Ook de uitvoering van de Vierde symfonie in het Holland Festival van 1976 door het Residentie Orkest herinner ik me als minder beklemmend spectaculair.

Goed gekozen was hier de combinatie met Carl Ruggles' Angels, met gedempt koper en een eigen systematiek die is gebaseerd op 21-toonsreeksen. Ives en Ruggles verhouden zich tot elkaar als de exuberant uitdijende Schönberg tot de ingehouden, aforistische Webern. Ten slotte was er nog het eerbetoon aan Ives van John Adams in My Father Knew Charles Ives voor groot orkest. Het werd in 2003 in première gebracht door Michael Tilson Thomas bij het orkest van San Fransisco. De eerste twee delen betalen tol aan Ives, het derde deel, het meest minimalistische, is op en top Adams. Dit is uitstekende muziek, knap geïnstrumenteerd, gaaf van vorm en tot in de puntjes verzorgd. En toch... en toch valt Adams in vergelijking met Ives enigszins door de mand. Hij is minder hoekig en kernachtig, minder persoonlijk. Adams is als een vampier die anderen leegzuigt.

Concert: Radio Filharmonisch Orkest en Cappella Amsterdam o.l.v. Zsolt Nagy en Benjamin Walfisch. Programma met werken van Ives, Ruggles en Adams. Gehoord: 22/5 Concertgebouw, Amsterdam. Radio 4: 25/5, 20 uur.