Fors bezuinigen bij ondersteuning kunst

De ondersteunende kunstinstellingen die gefinancierd worden in de Cultuurnota zijn te talrijk, te overlappend en te duur. Het aantal kan worden teruggebracht van zestig naar twaalf. Mede hiermee kan het rijk 5 tot 16 miljoen euro bezuinigen.

Dat stelt adviesbureau Berenschot in het rapport Zuinig op ondersteuning dat in opdracht van staatssecretaris Medy van der Laan (Cultuur) is opgesteld. Van der Laan heeft het rapport vanmiddag naar de Tweede Kamer gestuurd.

Ondersteunende, niet zelf kunst producerende instellingen zijn bijvoorbeeld het Nederlands Architectuurinstituut (NAi), de Rijksacademie, het Theaterinstituut en de Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis. Om de producerende kunstinstellingen te ontzien, wil Van der Laan 5,5 miljoen euro (10 procent) bezuinigen op dit soort instituten. Ze wil nog geen commentaar geven op de conclusies van het rapport, maar wil deze in het najaar gebruiken voor het opstellen van haar Cultuurnota 2005-2008.

Het is ongebruikelijk dat een staatssecretaris zich voor de Cultuurnota laat adviseren door een zelf ingehuurd extern bureau, dat in samenspraak met haarzelf een rapport opstelt. Doorgaans vervult de Raad voor Cultuur deze adviesfunctie. Een maand geleden bracht de raad zijn advies uit, dat afwijkt van wat Van der Laan voor ogen heeft met de kunstsector. De raad adviseert haar bijvoorbeeld om minder te bezuinigen op de ondersteunende instellingen. Van der Laan heeft eerder aangekondigd van het advies van de raad af te wijken als zij dat wenselijk acht. In februari heeft zij het eerste deel van het Berenschot-rapport reeds naar de raad gestuurd, die het toen heeft verworpen.

Berenschot vindt de ondersteuningsstructuur in de kunst te versnipperd in te veel en te ongelijksoortige instellingen. Deze versnippering zou in de huidige structuur alleen maar toenemen. Berenschot pleit niet voor een fusiegolf, maar voor een strakke indeling van taken. Wie niet de juiste taak vervult, moet niet via de cultuurnota gefinancierd worden. Alleen instellingen die landelijke `cultuurbesteltaken' (nuttig voor de deelsectoren of voor de hele kunst) of `erfgoedtaken' (archivering) vervullen, mogen van het rapport in de cultuurnota blijven.

Instellingen die `branchetaken' (belangenbehartiging voor de branches, bijvoorbeeld de Nederlandse Museumvereniging) en `opdrachttaken' (tijdsgebonden opdrachten van specifieke opdrachtgevers) vervullen, moeten uit de Cultuurnota worden gezet, en op andere wijze worden gefinancierd. Branchetaken zouden bijvoorbeeld door de branche zelf moeten worden betaald. Voor de erfgoedfunctie zou één archief per sector voldoende zijn.

Onderzoeker Bart Drenth onderschrijft dat deze indeling in taken ,,geen goed beeld van de werkelijkheid'' geeft omdat de meeste instituten ,,zelfverzonnen, ingewikkelde amalgamen'' van deze taken vervullen. Berenschot acht het echter wenselijk dat de taken duidelijk gedefinieerd en gescheiden worden, en wil geen beschrijving van de werkelijkheid geven maar van de gewenste werkelijkheid. Drenth: ,,we hadden kunnen proberen om deze gordiaanse knoop te ontwarren, maar we kiezen ervoor om hem door te hakken.''

Berenschot ziet verder veel mogelijkheden tot bezuiniging in de `overhead' van de instellingen (personeelskosten van bijvoorbeeld het management). Ook zou er flink gesneden moeten worden in de vele `werkplaatsen' (opleidingsinstituten), vooral in de beeldende-kunstsector. Een besparing daar zou kunnen zijn dat de deelnemers meer meebetalen aan hun opleiding, of dat de beurzen veranderen in leningen, zoals dat bij de universiteiten gebeurt.