Eén soldaat op tien bewoners

De burgeroorlog in Angola is sinds twee jaar ten einde. Maar de vergeten onafhankelijkheidsstrijd in de olierijke provincie Cabinda gaat door.

Soldaten waren ze. Maar aardige soldaten. De militairen die vroeger in Angola's noordelijkste provincie Cabinda waren gelegerd, kwamen nog wel eens langs voor een vriendschappelijk praatje in het dorp van José Maria Tembo, onderwijzer zonder school, en Benigno Antonio, visser zonder boot. Tot de oorlog in de zeventien andere provincies van het land twee jaar geleden abrupt tot stilstand kwam. Toen pas maakten Tembo en Antonio kennis met de zware jongens die hun dorp nu aan alle kanten hebben afgegrendeld.

,,Ze praten niet, ze schreeuwen'', vertellen ze, gezeten aan een krakkemikkig tafeltje onder de bananenboom. ,,Vissers krijgen klappen. Vrouwen verdwijnen. We vinden mannen in het oerwoud met de handen op de rug gebonden en een kogel in het hoofd.'' Nergens doet de vrede in Angola zoveel pijn als hier.

Drie decennialang vecht Cabinda al voor onafhankelijkheid. De enclave zou in 1975 illegaal zijn bezet door Angola dat in dat jaar onafhankelijk werd van Portugal. Drie decennialang had het Angolese leger geen tijd voor een krachtig antwoord. Bij de goddeloze oorlog met de Unita-rebellen van Jonas Savimbi in de rest van het land stond meer op het spel: de macht, de olie, de diamanten.

Pas sinds de dood van Savimbi twee jaar geleden heeft Cabinda de volledige aandacht van de MPLA-regering in de Angolese hoofdstad Luanda. In de afgelopen twee jaar heeft het leger het aantal soldaten in de op een na kleinste provincie naar verluidt meer dan verdubbeld: tot 30.000. Dat is meer dan één soldaat op elke tien bewoners.

De naar schatting 2.500 rebellen van het bevrijdingsfront van Cabinda (FLEC-FAC en FLEC-R) voeren een guerrillastrijd. Gijzelingen van buitenlanders. Bliksemaanvallen op militaire konvooien. Tegen de recent verhevigde militaire campagnes bleken ze niet bestand. Volgens het Angolese leger zijn hun bases in het dichtbegroeide oerwoud in het noordoosten van Cabinda inmiddels allemaal vernietigd. De belangrijkste officieren van de FLEC zouden zich hebben overgegeven. ,,Er is geen oorlog in Cabinda'', zei president José Eduardo Dos Santos vorige week al bij zijn bezoek aan de VS.

Volgens de priesters in het kerkje van afgebladderde verf en gebroken ramen in Cabinda-stad wordt het tijd dat de president zelf eens komt kijken. Door de openstaande deuren kan de bomvolle kerk op zondagochtend de ritmische mars van passerende soldaten duidelijk horen. ,,Als er hier geen oorlog is'', slaat de pastoor woest op de microfoon die steeds weer uitvalt, ,,waarom blijven ze ons dan vermoorden? Als wij Angolezen zijn, waarom martelen ze ons dan?''

Cabinda wordt vertrapt en gemangeld, zegt de katholieke kerk, maar niemand die het horen wil. Mensenrechtenorganisaties zijn er niet in Cabinda. De vrije pers is er verboden. Daarom hebben ze hun eigen mensenrechtenrapporten maar geschreven: `Terreur in Cabinda' en `Cabinda 2003: een jaar van pijn'. Over executies van boeren en houthakkers. Over groepsverkrachtingen door het Angolese leger. Toen een groep maatschappelijke organisaties zich begin dit jaar opwierp als de `vredige stem' voor een onafhankelijk Cabinda, joeg de politie de menigte met grof geweld uiteen.

De argumenten voor de onafhankelijkheid van Cabinda zijn onweerlegbaar, zegt pater Jorge Congo die al meerdere malen met de dood bedreigd is. Alleen in Cabinda spreken ze het Ibanda. Ze dansen er ook anders dan in Angola. En kijk naar de kaart. Cabinda is omringd door de Democratische Republiek Congo en Congo-Brazzaville. ,,Bovendien hebben de Portugezen onze toekomst op de conferentie in Berlijn in 1885 bezegeld'', zegt Congo. ,,Cabinda werd als protectoraat in de statuten vastgelegd, en niet als kolonie, zoals Angola.''

De belangrijkste belemmering voor onafhankelijkheid is de olie voor de kust van Cabinda. De provincie produceert zeker zestig procent van Angola's olie. Een onafhankelijk Cabinda zou in een klap het rijkste land van Afrika zijn en tegelijk de doodsteek voor de Angolese economie betekenen. Volgens pater Congo zou Cabinda ,,zonder olie allang onafhankelijk zijn geweest''.

Het idee van onafhankelijkheid heeft zich in de hoofden van de bewoners van Cabinda genesteld als oplossing voor alle problemen in de enclave.

Joaquim Luango houdt niet op met zuchten als hij de zanderige weg met de bouwval laat zien waarin hij woont. De haven van Cabinda is dichtgeslibd met roestige scheepswrakken, het asfalt op de landingsstrook is al jaren aan vervanging toe. Het verschil met de villawijk waar de ingenieurs van Chevron wonen is pijnlijk. ,,Onafhankelijkheid is de enige oplossing.''

Generaal Marques Correia Banza is een guitig klein mannetje, met een compromisloze boodschap. Hij kent de rapporten over vermeende mensenrechtenschendingen in de provincie: ,,Propaganda van mensen die Angola in een kwaad daglicht willen stellen.'' De vrijheidsstrijders voor Cabinda noemt hij terroristen, ze zijn het laatste obstakel voor een eind aan het geweld in oorlogsmoe Angola. `Het leger: symbool van de vrede' staat er op het bord voor zijn kantoor.

In de afgelopen twee jaar zijn herhaaldelijke pogingen ondernomen tot onderhandelingen tussen de regering en de actiegroepen in Cabinda. De gesprekken zijn tot nu toe op niets uitgelopen. De onafhankelijkheidsbewegingen zijn hopeloos verdeeld. Ze kunnen het niet eens worden over één onderhandelaar voor alle partijen.

Voor de regering is autonomie voor Cabinda ondenkbaar, onderstreept generaal Banza. ,,Aan onafhankelijkheid op basis van culturele identiteit kunnen we niet beginnen.'' Tenslotte kennen alle achttien provincies van Angola culturele verschillen. Cabinda is niet zo anders als het zelf wel denkt, vindt de generaal. Zijn beslissende argument: ,,Als iedere militair op dit grondgebied Angolees is, dan moet Cabinda toch wel van Angola zijn.''