Vreemdelingbeelden

HET STOPLICHT was net op groen gesprongen, een dikke allochtoon en ik wilden wegfietsen, toen we gesneden werden door een auto met een Belgisch nummerbord die rechtsaf sloeg. Ik schold hardop: `Buitenlanders!' Pas toen ik het gezegd had, realiseerde ik me dat de man op de fiets ook een buitenlander moest zijn. Het mechanisme in mijn hoofd is dus zo simpel: wie op een fiets zit is een Nederlander en wie per ongeluk geen rekening houdt met fietsers is een buitenlander. De man op de fiets reageerde instemmend: `Domme Belg'. Hij voelde zich klaarblijkelijk samen met mij Nederlander.

In de Turkse naaiwinkel vertelde de geboren Turkse in sappig Amsterdams over Japanse koks die een veel te hoge fooi gaven voor het inkorten van hun broeken: `Schuif ik die 50 euro terug. Niet goed, zeg ik. Hij verstaat niks, geen hol. Legt die spleetoog er nog eens 50 bij.' Voor haar is de Japanner de vreemdeling, die zich moet schamen de Nederlandse fooigebruiken en de taal niet te kennen.

In Amsterdam is het straatbeeld zo gekleurd dat je een allochtoon alleen als een allochtoon beschouwt als die zich opvallend niet-autochtoon gedraagt. Oppervlakkig gezien is er nauwelijks een probleem. Wie in de Pijp rondloopt en de winkels en restaurantjes van Turken, Spanjaarden, Surinamers, Koerden en Indiërs uitnodigend naast elkaar ziet liggen en de vrolijke sfeer op de Albert Cuyp meemaakt, kan zich niet voorstellen waarom de politiek zich zo druk maakt over het Nederlanderschap en de inburgering. Laat komen, denk je dan, wie overleeft heeft toch bewezen een aanpasser te zijn. Begin nou eens met die opvangcentra af te schaffen en kijk maar wie zich weet te handhaven. Vroeger kwamen de vreemdelingen toch ook gewoon hierheen. Ze kregen geen uitkering, geen registratie of wat dan ook, maar ze verdwenen vanzelf als het niet ging.

De eerste Nederlandse vreemdelingenwet dateert van 1849. Daarin werd voor het eerst een principieel onderscheid gemaakt tussen Nederlandse staatsburgers en vreemdelingen. De wet was vrij liberaal van aard en wilde gewone vreemdelingen zo min mogelijk in de weg leggen. Maar ongewenste vreemdelingen konden met behulp van de wet over de grens gezet worden. Ketellappers uit Hongarije, berenleiders uit Bosnië en bedelaars uit Savoye konden desgewenst door veldwachters opgepakt worden. Maar de ketellappers, koperslagers en mannen met beren waren juist geliefd omdat ze vertier gaven. Dus in de praktijk werden alleen bedelende buitenlanders en onruststokende revolutionairen weggestuurd.

In 1892 kwam bovenop de vreemdelingenwet de Wet op het Nederlanderschap, waarin gesteld werd dat het Nederlanderschap in principe erfelijk is en dat een buitenlander pas bij de derde generatie Nederlander kon worden.

Met deze twee wetten kwam er een eind aan een vrij open klimaat voor immigranten in Nederland. Natuurlijk werden reizigers die in Nederland kwamen in elke eeuw vreemd aangekeken, maar er waren nooit wettelijke belemmeringen voor vestiging geweest. Het aantal buitenlanders in Nederland fluctueerde sterk met de economische positie en de politieke situatie in de omringende landen. In de zeventiende eeuw schijnt in Amsterdam de helft van de inwoners van buitenlandse afkomst te zijn geweest. Als men studies over de achttiende eeuw leest, krijgt men de indruk dat het toen krioelde van de refugés. Vooral de intellectuele wereld werd toen beheerst door buitenlanders. Het moet een komen en gaan van journalisten en geleerden zijn geweest die allemaal contact met elkaar hadden en een eigen circuit van kleine tijdschriftjes onderhielden, in het Frans, maar gedrukt in Nederland.

Datzelfde lijkt aan het eind van de achttiende eeuw in de tijd van de Revolutie in heel Europa aan de hand te zijn. Frankrijk krijgt een toeloop van Bataven en andere revolutionairen, waaronder Betje Wolff en Aagje Deken. Over die periode heeft Kees 't Hart net een roman geschreven, en Joost Rosendaal een proefschrift. In diezelfde tijd vangen Engeland en Duitsland juist weer de adel en overige vluchtelingen voor de revolutie op. Willem Bilderdijk, zelf een van de vluchtelingen die via Duitsland in Engeland terechtkomen, geeft in zijn brieven prachtige voorbeelden van de babylonische spraakverwarring die heerst in de steden waar de vluchtelingen heenstromen, zoals Hamburg en Londen. In Londen probeert een hele stoet van intellectuelen aan de kost te komen. Ze geven bijlessen aan particulieren, tekenen voor uitgevers, vertalen voor tijdschriften en vangen elkaar klanten af door onder de gemiddelde prijs te werken. Maar aan al die emigranten lijkt na de Napoleontische tijd een einde te komen. Nederland werd door de economische recessie en de geringe politieke betekenis onaantrekkelijk als vestigingsland. De cijfers van migranten zijn opzienbarend laag. Bij de eerste volkstelling waarbij registratie van buitenlanders plaatsvond, die van 1849, was 2,3 procent van de inwoners van Nederland van buitenlandse afkomst. In Amsterdam was dat het dubbele, maar nog steeds onvoorstelbaar laag: 4,5 procent.

Ondanks dit verwaarloosbare percentage hielden de Nederlanders niet van buitenlanders. De stereotypen zijn duidelijk genoeg. Duitsers zijn dom, verwaand, achterlijk en lelijk. Zo worden ze ook terneergezet in de moffenkluchten die populair waren vanaf het eind van de zestiende eeuw. Goed Hollands leerden ze nooit spreken, hoe lang ze ook in Nederland waren. Daarnaast is er ook het beeld van de Duitse romanticus, de dweper die buiten de werkelijkheid staat, in sprookjes gelooft en ongeschikt is voor het dagelijks leven. In Multatuli's Max Havelaar is de jonge Duitser Ernest Stern er een voorbeeld van.

Voor Engelsen gelden andere clichébeelden: ze eten de hele dag biefstuk, ze dragen rare kleren en ze hebben het altijd te warm. Ze worden in de literatuur beschreven zoals men nu Amerikaanse of Japanse toeristen beschrijft: malle reizigers die in geruite broeken op één dag Amsterdam én Den Haag bezoeken, maar alleen de attracties die in de reisgids staan willen bekijken.

Een bizarre vorm van xenofobie speelt zich af rond Frankrijk. In de pers geldt Frankrijk als een metafoor voor alles wat niet deugde. De Fransman is ijdel, hij beheerst zijn hartstochten niet, hij is decadent, hij is seksueel een ongeleid projectiel. Met zijn zeden bederft hij heel Europa en hij is een bedreiging voor de cultuur. De Franse taal zelf is wuft en wordt als een besmettelijke ziekte beschouwd. Enfin, Osama Bin Laden heeft nauwelijks meer slechtigheid toegeschreven gekregen als het negentiende-eeuwse Frankrijk. Toch is er geen enkele aanwijzing dat Fransen in Nederland slecht behandeld werden of dat er een collectieve minachting van een bevolkingsgroep te bespeuren viel. Het was niet zo dat de Fransen de Marokkanen van de negentiende eeuw waren. Maar in de media krijgt Frankrijk voortdurend de schuld van alles wat er aan moreel verval geconstateerd werd.

In hoeverre konden de stereotypen op werkelijke ervaringen berusten? Welke buitenlanders kwamen naar Nederland? Vrij belangrijk waren de seizoenarbeiders, de zogenaamde hannekemaaiers, die in de late zomer het gras kwamen maaien. `De Hollandse boeren hebben niets anders te doen dan hun koeien te melken en hun vee te verzorgen, te zorgen voor een goede belegging, hun thee te drinken en hun tabak te roken. De meesten halen er hun neus voor op om zelf gras te maaien. Daarvoor laten ze duizenden Duitsers vooral uit Westfalen komen, die ook andere diensten, de vuilste, de zwaarste, verrichten. Daarna sturen ze hen weer naar huis, beladen met meer geld dan ze thuis hadden kunnen verdienen, en dat de baronnen en bisschoppen hen dan weer afhandig maken', zo schrijft een achttiende-eeuwse Italiaanse bezoeker van Nederland. Wie denkt daarbij niet aan de arme Poolse aspergestekers die nu in Brabant en Limburg het werk doen waarvoor geen Nederlander te vinden is en die door de Poolse belastingdienst een poot uitgedraaid wordt.

Er waren ook middenstanders die zich in Nederland vestigden. Schoorsteenvegers uit Piemonte en Zwitsers Italië, spekslagers uit Noord-Duitsland, stukadoors uit Oldenburg en strohoedenmakers uit Frans-België vonden een plek tussen overige kleine winkeliers. Ook vrouwen kwamen om economische redenen naar Nederland, naaisters, gouvernantes, dienstboden. Extreme uitersten verenigden zich bij de Duitse vrouwelijke vreemdelingen. Rond 1870 vluchtten er veel Duitse religieuzen naar Nederland vanwege de Kulturkampf. Tegelijkertijd kwamen er vanuit Duitsland ook veel prostituees. In de gemeenteraad van Rotterdam werd er in 1882 geklaagd dat er een onbegrijpelijk groot aantal `Duitse vrouwspersonen' naar de gemeente is gekomen. `Ze hebben zich over de hele stad verspreid en overal bier- en koffiehuizen, sigarenwinkels en restaurants opgericht, maar in werkelijkheid leven de blondharige Duitse Loreley's van de prostitutie.'

Maar vanuit Frankrijk was er geen belangrijke immigratie, behalve een enkele kapper en een groep acteurs. Waar de Nederlanders hun stereotype beeld van het Franse verval dan vandaan haalden? Waarschijnlijk uit dezelfde duim waaruit wij tegenwoordig beelden van Marokkanen, Surinamers en Turken halen.