Tot hier en niet verder

Leo Prick geeft een uitstekende analyse van de positie van de leraar in het Nederlandse onderwijs (W&O, 8 mei).

Schaalvergroting ingegeven door demografische, financiële en ideologische overwegingen, in combinatie met decentralisatie heeft de verhoudingen tussen management en leraren de laatste twintig jaar ingrijpend gewijzigd. Dat de leraar zich tegen de macht van het management moet verzetten op basis van zijn beroepsethiek is zeker waar, maar in de huidige verhoudingen vrijwel onmogelijk. Het is alleen mogelijk als leraren zich als een beroepsgroep zouden kunnen opstellen zoals artsen. Overigens hebben ook artsen steeds meer te maken met een dominant management. Het opleggen van een onderwijssysteem betekent feitelijk het uitspelen van docenten en hen inpassen in de rol van uitvoerder. Vakken die breder zijn georiënteerd en minder gericht op beroepscompetenties – om het afschuwelijke woord maar eens te gebruiken leggen het eerste het loodje. Probleemgestuurd onderwijs als de meest extreme variant betekent feitelijk dat een creatieve relatie op inhoudelijke grondslag tussen student en leraar onmogelijk wordt gemaakt, omdat de leraar tutor en producent van taken wordt, die buiten zijn aanwezigheid worden uitgevoerd. Leraren zijn juist meestal inhoudelijk gemotiveerd en willen op basis van hun inzichten studenten stimuleren in directe interactie. Intellectuele creativiteit is gestoeld op de emotionele energie binnen netwerken van mensen die elkaar inhoudelijk weten te motiveren. Daar is de leraar/student verhouding cruciaal in, zoals de socioloog Randall Collins overtuigend heeft aangetoond in zijn `Sociology of Philosophies'. De beroepsethiek van de leraar in deze tijd overeind houden betekent feitelijk werkweigering en daar schrikken de meesten voor terug. Het is een te hoge prijs voor ethisch handelen. Waarschijnlijk komt de oplossing uit een steeds grotere vlucht van professionals naar organisaties die hen beter gezind zijn, zoals in Angelsaksische landen.