Tot hier en niet verder 2

Leo Prick schrijft dat de grotere autonomie van scholen heeft geleid tot minder autonomie voor de leraar en tot uniformering van het onderwijs in de klas (W&O, 8 mei). De fusies en reorganisatie in het onderwijs hebben inderdaad geleid tot meer management en een flexibele inzet van leraren. Die ontwikkeling is gelijk opgegaan met het bedrijfsleven. Op de werkplek veranderde het onderwijs, anders dan in het bedrijfsleven, nauwelijks. Geen schooltuinen en nauwelijks ict-gebruik, het KDD-model (Krijtje Deurtje Dicht) bleef gehandhaafd. Ik waag de stelling: hoe groter de autonomie van de leraar in de les hoe uniformer het onderwijs. Het verleden is het bewijs.

Nu organisatorisch scholen enigszins tot rust zijn gekomen, is het onderwijs zelf onderwerp van verandering. Anders dan Prick heb ik niet de indruk dat die veranderingen worden opgelegd. Jonge leraren zien de noodzaak in om werkvormen te variëren en nieuwe media te gebruiken. Usance is dat kernteams met een teamleider zich richten op verbetering van vakinhouden, werkvormen, mediagebruik en de interactie met leerlingen. Het doel is verbetering van prestaties door verbetering van inzet en betrokkenheid van leerlingen. Leraren bezoeken daartoe elkaars lessen en coachen elkaar. Onderwijsverandering is niet vrijblijvend. De steun van bovenaf in de vorm van faciliteiten gaat samen met verwachtingen van bovenaf, zoals dat het geval is in ieder zich respecterende organisatie. Overigens veranderen individuele leraren hun werkwijze niet sneller dan ze kunnen.