Steunkous is niet vanzelfsprekend

Hulpmiddelen als rollators en steunkousen worden vergoed. Dat hoeft niet, vindt de directeur van het College voor Zorgverzekeringen.

Patiënten zouden het minder vanzelfsprekend moeten vinden dat hun elastische steunkousen, hun leesloep en hun aangepaste stoelen worden vergoed. Ze zouden best zelf kunnen betalen voor hulpmiddelen die ze anders toch wel kopen.

Dat vindt Dik Hermans. Hij is algemeen directeur van het College voor Zorgverzekeringen (CVZ), dat de regering adviseert over wat mensen aan behandelingen, pillen, en hulpmiddelen vergoed zouden moeten krijgen.

Die hulpmiddelen, daar gaat het nu om. Uit een uitgebreid onderzoek naar het gebruik van medische hulpmiddelen dat het college vandaag publiceert, blijkt dat de kosten de afgelopen jaren fors zijn gestegen en maar blijven stijgen. Komend jaar weer, verwacht het college. Inmiddels hebben 1,3 miljoen mensen in Nederland een gebitsprothese, een aangepast bed of stoel, orthopedische schoenen, een rollator, hoortoestel, elastische kousen of een of meer andere hulpmiddelen.

De stijgende kosten, zegt Hermans, zijn deels te wijten aan de vanzelfsprekendheid waarmee mensen denken recht te hebben op zorgvoorzieningen. Nergens, zegt hij, krijgt zijn organisatie zo veel brieven over binnen als over hulpmiddelen.

Het gaat om duizenden geschillen tussen zorgverzekeraar en patiënt per jaar hierover, bijna 40 procent van alle geschillen die het CVZ per jaar moet oplossen. Bijvoorbeeld over sta-op-stoelen. Die zijn bedoeld voor mensen die niet uit een gewone stoel op kunnen staan. Niet voor mensen die niet uit een diepe stoel kunnen komen.

Plastische chirurgie is na de hulpmiddelen een goede tweede klachtenpost. Door tv-programma's die hun kandidaten cosmetisch laten bewerken denken steeds meer verzekerden daar ook recht op te hebben. Terwijl de zorgverzekeraar in werkelijkheid alleen bij ernstige verminking uitbetaalt.

Hermans vindt dat zorgverzekeraars hun klanten ook beter zouden moeten informeren over waar ze nu eigenlijk wel en niet recht op hebben. De regeling voor hulpmiddelen is breed en zeer gedetailleerd. De arts die verwijst of voorschrijft, die weet het meestal ook niet. ,,Kijk maar, zeggen patiënten dan, mijn arts schrijft voor, dus heb ik er recht op.''

Hermans: ,,Mensen gaan in aanleunwoningen wonen als zekerstelling voor de toekomst. Daar zijn ze niet voor bedoeld.'' Zijn moeder bracht hij over van een psychiatrische instelling naar een verzorgingstehuis. ,,Ik had ook nog een paar maanden kunnen wachten, dan had ze onnodig lang een dure en gewilde plek bezet gehouden.''

Natuurlijk, zegt Hermans, stijgen de kosten ook omdat meer mensen oud worden, en ze langer oud blijven, dat heet dubbele vergrijzing. En omdat diezelfde mensen gestimuleerd worden om langer zelfstandig te blijven wonen, hebben ze ook meer hulpmiddelen nodig. Al is dat maar deels waar. ,,Uit het onderzoek blijkt nu dat inwoners van verpleeg- en verzorgingstehuizen juist meer gebruik maken van hulpmiddelen dan mensen die zelfstandig wonen. We weten nog niet goed hoe dat komt. Misschien is het voor mensen in tehuizen makkelijker hulpmiddelen aan te vragen.''

De meeste van deze middelen worden betaald uit het ziekenfonds. Sommige uit de AWBZ. Dat is een volksverzekering die ooit bedoeld was voor zorg die je niet goed zelf kan verzekeren, voor chronisch zieken bijvoorbeeld, en gehandicapten. Voor mensen die in een verzorgings- of verpleegtehuis terecht komen ook. Maar in de afgelopen jaren werden steeds meer voorzieningen bij deze regeling, en in het ziekenfonds ondergebracht. Soms terecht, zegt Hermans, als het gaat om aangepaste bedden of dure rolstoelen. Maar zouden mensen hun elastische kousen, hun leesloep, of hun rollator niet net zo goed zelf kunnen betalen?

Die rollator eruit, dat stelde zijn voorzitter, Hans Hillen, eerder dit jaar al voor. Het was een willekeurig voorbeeld, zegt Hermans nu. Een rollator kost de verzekeraar honderd euro. Als de rollator uit de verzekering, in de winkel terecht komt, zal hij mogelijk nog goedkoper worden.

Het CVZ wil graag een model ontwikkelen waarin het `objectief' kan bepalen wat wel en wat niet vergoed wordt. Nu de zorgverzekeraars steeds meer vrijheid krijgen om zelf te bepalen wat ze hun klanten aanbieden en hoe ze dat doen, is het volgens Hermans juist belangrijk de randvoorwaarden strenger te formuleren. Daar is het CVZ voor.

Alleen al de medische hulpmiddelen waren het afgelopen jaar goed voor 760 miljoen euro. Een rijzende markt voor fabrikanten en leveranciers, die vaker en agressiever rechtstreeks aan de patiënt adverteren. Soms krijgen patiënten gratis hulpmiddelen aangeboden, en als ze daar dan enthousiast over zijn zegt de fabrikant tegen de zorgverzekeraar: zie je wel, dit zou vergoed moeten worden.

,,Vergeleken met de ons omringende landen is Nederland een aantrekkelijke proeftuin voor fabrikanten van hulpmiddelen. Dit is het enige Europese land waarin iedere fabrikant ieder nieuw hulpmiddel kan laten vergoeden.'' Als het hulpmiddel maar in een van de daarvoor bestemde categorieën valt bijvoorbeeld `hoortoestellen' of `prothesen'. En het moet gaan om een zogenoemd laagrisicohulpmiddel, maar dat is eigenlijk ieder hulpmiddel dat niet in het menselijk lichaam gaat. ,,En dan gaan die fabrikanten en leveranciers naar andere EU-landen en zeggen ze: kijk in Nederland wordt het ook vergoed.''

Om het gebruik van medische hulpmiddelen betaalbaar te houden zou er volgens Hermans meer dan nu discussie moeten zijn over de eigen verantwoordelijkheid van patiënten. Ook zouden de zorgverzekeraars creatiever kunnen zijn. ,,Ze zouden bijvoorbeeld vaker hulpmiddelen kunnen verhuren, in plaats van deze te verkopen.''