Shell blijft in het verleden steken

De problemen van de Koninklijke/Shell Groep vloeien voort uit de gebrekkige aansprakelijkheid jegens beleggers. Je zou verwachten dat de oliegigant na het debacle rond de olie- en gasreserves beter gaat luisteren, maar dat is niet zo.

De nieuwe topman, Jeroen van der Veer, heeft de bestaande tweeledige bedrijfsstructuur verdedigd. Zijn betoog komt erop neer dat de problemen van Shell te wijten zijn aan een paar rotte appels en geenszins het product zijn van de bedrijfsstructuur of -cultuur. Shell moet de zaken hier en daar een beetje reorganiseren, maar het is niet nodig de hele structuur overhoop te gooien.

Bovendien heeft Van der Veer een element van 'Britten tegen Nederlanders' in de discussie gebracht. En omdat er in Nederland werkelijk zorg bestaat over een verlies aan industriële soevereiniteit, kan die stap het uiteindelijk lastiger maken om betekenisvolle hervormingen door te voeren. De meeste argumenten die het bedrijf heeft ingebracht ter verdediging van de status quo zijn nogal zwak. Een daarvan is dat het huidige systeem een eeuw lang goed heeft gefunctioneerd. Een ander argument luidt dat de verantwoordelijkheid voor het reserve-debacle berustte bij slechts een handvol schuldigen, waaronder de voormalige topman Sir Philip Watts en Walter van der Vijver, en dat die mensen nu zijn opgestapt.

Een argument dat op het eerste gezicht sterker lijkt, is dat Koninklijke Olie een premie zou moeten krijgen voor het bundelen van de raden van commissarissen, omdat de Nederlandse tak een belang van 60 procent heeft in de gezamenlijke werkmaatschappijen van het concern. Als je alles onder één noemer brengt, raken de beleggers van Koninklijke Olie de zeggenschap kwijt. Het probleem is alleen dat er geen bewijzen voorhanden zijn dat de huidige arrangementen het de Nederlandse tak mogelijk maken de macht over het concern uit te oefenen. Hoewel de raden van commissarissen van beide kanten samenkomen, blijkt het Nederlandse kamp niet méér in de melk te brokkelen te hebben dan de Britten. Een premie zou te rechtvaardigen zijn geweest als de Nederlanders speciale stemrechten zouden hebben bezeten, die de zeggenschap hadden gegarandeerd. In wezen raakt dit de kern van het probleem. Het is niet duidelijk jegens wie de topmanagers werkelijk verantwoording schuldig zijn.

Neem het geheimzinnige, uit drie personen bestaande Comité van Hoofddirecteuren, dat zweeft in het niemandsland boven de raden van commissarissen van Shell en Koninklijke Olie. Dat Comité heeft de taak de strategie te ontwikkelen, maar het is niet duidelijk aan wie of wat zij rapporteert.

Geen wonder dat het de commissarissen jaren heeft gekost vóór zij het schandaal rond de reserves in de gaten kregen. Van der Veer heeft de discussie over nationaliteit op scherp gezet. Onlangs liet hij zich ontvallen dat ieder meningsverschil over de toekomstige structuur zou leiden tot een `6-4 overwinning' voor de Nederlanders. Zulke taal kon wel eens een averechts effect hebben. Welke illustratie kan men zich beter wensen van de 'wij en zij'-mentaliteit die de bestaande tweeledige structuur bestendigt? Maar in Nederland maakt men zich echt zorgen dat een volledige fusie, zelfs met behoud van de tweeledige beursnotering, ertoe zal leiden dat het bedrijf zijn Nederlandse gezicht verliest.

Toch is het grootste risico dat Shell niets blijft doen. Het bedrijf zal worden verhandeld tegen een steeds grotere korting ten opzichte van concurrenten als BP. En het zal duidelijk zijn dat de krachtige interne structuur van Shell, ooit een bron van trots, nu niet in staat blijkt te evolueren.