Petro

Volgens oud-burgemeester Ed van Thijn is de tijdgeest volkomen gekanteld naar retoriek. In de politiek is dat duidelijk: normen en waarden. In de sport verwacht je het wat minder en toch is het er. Er worden ook daar steeds meer ronkende verklaringen afgelegd. Kwekken is nu het nobele ideaal.

Op Papendal en in Zeist is dat nooit anders geweest. Het gewas bobo bestaat bij de gratie van retoriek uit de prehistorie. De dames en heren voelen zich bijbels bestraald als ze het woord nemen. Meestal om op zichzelf en de verkeerde dingen te gloriëren, maar dat kunnen ze niet helpen. In deze kringen overwoekeren ego's altijd de mens.

De laatste tijd is het me opgevallen dat ook voetballers een retorische doorstart hebben genomen. Ze hebben opeens veel te vertellen. Nee, niet Edgar Davids. Edgar heeft in zijn fantasierijke eigenzinnigheid het norse zwijgen verheven tot kunst. Kunst met zonnebril. Jongens als Rafael van der Vaart en Mark van Bommel daarentegen hebben wel gevoel voor de litanie. Zij mogen graag uitweiden over leven en werk, over passie en compassie, over de mogelijke gezinsuitbreiding. Wreef en retoriek in elkaars verlengde.

Ik ken een voetballer die alleen maar uit retoriek bestaat: Zeljko Petrovic, Petro voor de vrienden. Deze week nam hij in een gala-wedstrijd in Waalwijk afscheid van het betaald voetbal. Met veel tranen en nog meer woorden. Alsof hij dacht: wat niet gezegd is, bestaat niet.

Petro was een kleurrijke voetballer. Zeg maar een beschavingsoffensief in zijn eentje. Wereldverbeteraar hors catégorie. Een man met veel Balkannostalgie en toch ook een neefje van Ron Brandsteder. Glamour, glitter, gedoe, tandpasta. In zijn laatste wedstrijd voor RKC maakte hij nog gauw een schitterend doelpunt. Zo'n juweeltje dat een onnavolgbare klasse verraadt. Edoch, ik heb Petro als voetballer nooit serieus kunnen nemen. Hij vervelde me iets te nadrukkelijk in het charisma van zijn blije gezicht. Om het oneerbiedig te zeggen: hij lulde te veel. Op en naast het veld, in praatprogramma's op televisie, bij de bakker en de slager. Als ik hem zag en hoorde, moest ik altijd denken aan een slimme charlatan die net iets te belezen is voor zijn armzalige omgeving. Petrovic: meer zigeuner dan voetballer.

Straks zit hij naast Ruud Gullit op de bank van Feyenoord. Wie is de hofnar van wie? Buiten de vette lach zie ik geen chemie tussen beide heren. Gullit is de vleesgeworden promenade, Petrovic de vleesgeworden retoriek. Kan dat elkaar raken? Dan nog in een stad waar daden voor woorden gaan? Ik heb er een hard hoofd in. Er is nog een complicerende factor: beide heren zijn actief lid van de goededoelenindustrie. Goede doelen, is dat niet de casuïstiek van het bloed?

Kan een Joegoslaaf die als voetballer niet serieus genomen werd het als co-trainer bij een topclub redden? Aan ambitie ontbreekt het Petro zeker niet. In een onbewaakt moment liet hij zich ontvallen dat hij bondscoach van Nederland wil worden. Tja. Megalomanie is van alle tijden, van alle nationaliteiten, van alle minderheden, van alle Berlusconi's, waar ook ter wereld. Voor het zo ver is, houd ik mijn hart vast. Wat als Gullit een dagje ziek is en Petrovic in zijn eentje voor de selectie van Feyenoord staat? Ik vrees dat dan de ijskast open gaat en de kaarten op tafel komen. Bal en man doen er even niet toe. De aankomende wedstrijd al helemaal niet.

Petro heeft zo gekoketteerd met zijn gedrevenheid, zijn professionalisme en zijn monogamie voor de bal dat hij in de ogen van een gezonde polderjongen ongeloofwaardig is. In Waalwijk kun je die pathetische overdrive nog corrigeren met een magistrale dieptepass, bij Feyenoord niet. Sentiment en cosmetica zijn niet des Rotterdams. Schoonheid ook niet.

In Zeljko Petrovic voltooit zich de tragedie van een man die zo gelukkig is met zichzelf en zijn bestaan dat hij eindigt in de rafelranden van folkore. Ik begrijp hem wel: hij wilde te graag inburgeren, te graag van en met ons zijn, te graag voorganger worden in een beschavingsmodel van dankbaarheid. Daar kunnen Hollanders niet mee leven. Het gaat in Nederland nog steeds om de waterscheiding.

Mijn genegenheid heeft hij, maar ik wil niet meer horen hoe gelukkig hij is geworden in het land van klompen, van geritualiseerde solidariteit, van aplomb in mensenrechtenzaken.

Verzwijg nou eens wat goed is, Zeljko.