Over intellectuelen en Irak

Ooit, het was voor mijn tijd, hadden intellectuelen een begerenswaardige status. Wat zij zeiden en schreven was bij voorbaat op zijn minst een beetje waar. Hun dwarsheid was glamourous, hun onaangepastheid gaf hun glans. Sartre was de David Beckham van het denken. Op Cuba en in Oost-Duitsland ontwaarden de intellectuelen het arbeidersparadijs, maar omdat zij geen arbeiders waren mochten zij weer terug naar hun grachtengordel. Of het ook echt zo is geweest, weet ik niet (voor mijn tijd, nietwaar), maar dit is het beeld dat nu heerst.

Het meest treffende in het dubbelinterview met Clarke en Rice in het Zaterdags Bijvoegsel van afgelopen weekend was dat Clarke meldde dat, voorafgaand aan het besluit om tegen Irak ten strijde te trekken, alleen informatie tot de Amerikaanse regering is doorgedrongen die dat besluit steunde. Kennelijk is er op het hoogste niveau geen belangstelling geweest voor scenario's waarin alles misgaat wat er mis kan gaan; kennelijk hebben Bush en de zijnen in hun eigen propaganda geloofd. Ze hebben geen mensen ingehuurd om binnenskamers dat waar ze zelf heilig van overtuigd waren onderuit te halen; ze hebben niet het belang ingezien van dwarsdenkers.

Het lijkt er op dat het niet alleen bij de besluitvorming over de oorlog tegen Irak zo is gegaan. Beleidsmakers die, als zij hun oor in de samenleving te luisteren leggen, vooral de echo van hun eigen PR horen zijn aan de orde van de dag. Als krantenlezer krijg ik in ieder geval de indruk dat ook bij meer alledaagse beslissingen – over grote infrastructurele projecten (HSL, Betuwelijn, de vijfde baan van Schiphol), over immigratie en integratie, over privatisering – bij de besluitvorming vooral die informatie wordt betrokken die het al genomen besluit ondersteunt. Informatie die daarbij niet past komt helemaal niet op tafel, of wordt genegeerd.

Daaruit trek ik de conclusie dat er in samenlevingen als de onze niet meer genoeg dwarse denkers los rond lopen. We leiden ze, ten eerste, niet meer op, omdat ook academische studies zoveel mogelijk op de praktijk gericht moeten zijn. Onderwijs moet aansluiten bij de behoeften van de samenleving, studenten moeten al tijdens hun studie vaardigheden leren die ze later nodig hebben. Nutteloze vakken worden gedumpt. En, ten tweede, de paar dwarsdenkers die we hebben, hebben een te lage status. Mensen die in de positie zitten dat zij besluiten nemen kunnen ze zonder al te grote risico's negeren.

Het nut van nutteloze denkers, die mogelijkerwijze los van modes, beleidsontwikkelingen en maatschappelijke relevantie onderzoek doen en daarover praten en schrijven, wordt kennelijk niet onderkend. Met het vermeende gelijk van rechts heeft de samenleving zich ook van de intellectuelen ontdaan. Dat is een vergissing. Intellectuelen ontwaren niet alleen het paradijs in totalitaire staten; ze melden soms ook dat de aarde niet plat is. En Afshin Ellian, Dorien Pessers en Paul Cliteur hebben hardhandig afgerekend met de gedachte dat de intellectueel per definitie links is.

Om te bevorderen dat er meer intellectuelen komen, en dat er soms naar hen geluisterd wordt, moeten er twee dingen gebeuren. Ten eerste moet het academisch onderwijs weer academisch worden. Als bedrijfsleven en overheid er behoefte aan hebben dat hun medewerkers bepaalde vaardigheden hebben, dan leren ze hun die zelf maar aan. Dat gebeurt dan ook van hun eigen begroting. Daardoor worden de kosten door de organisatie gedragen die ze veroorzaakt, en wordt inzichtelijk waar die kosten thuishoren. Academisch onderwijs moet mensen opleiden die althans in staat zijn om tegen de stroom in te denken. We moeten dan maar hopen dat ze dat soms ook doen. Het onderwijs aan de universiteiten moet vooral niet gericht zijn op de behoeften van de arbeidsmarkt en de noden van de samenleving. Het moet gericht zijn op zelfstandig leren denken in de termen van de betrokken discipline (en liefst ook nog een beetje daarbuiten).

Ten tweede moet het academisch onderzoek evenzeer af van de dwang van het maatschappelijk belang. Mensen die aan universiteiten werken (ikzelf incluis) moeten, geheel of gedeeltelijk, direct of indirect, op de vrije markt het geld verdienen waarmee ze zichzelf bedruipen. Maar ook bij het onderzoeksgeld dat door de overheid via NWO wordt verdeeld speelt het maatschappelijk belang van het te financieren onderzoek een grote rol. Daarmee wordt de aard van academisch onderzoek miskend. Als de overheid of bedrijfsleven behoefte hebben aan bepaald onderzoek, dan is het prima als zij dat bij universiteiten inkopen. Maar de meerwaarde van universitair onderzoek is dat het gaat over wat wetenschappers zelf van belang vinden. Niemand zat er op te wachten te horen dat de aarde rond was; het desbetreffende onderzoek had bij NWO bijzonder laag gescoord op maatschappelijk belang – maar het was wel nuttig dat iemand dat uitzocht.

Academisch onderwijs en onderzoek weer academisch maken betekent, toegegeven, dat er veel wordt uitgegeven aan schijnbaar nutteloze zaken. En, toegegeven, de meeste dingen die intellectuelen denken, schrijven en zeggen zijn ook echt nutteloos. Maar de functie van die nuttelozen is dat zij zich aan de consensus van het nut kunnen onttrekken (ook al doen zij dat bijna nooit), en dat zij daardoor (soms) iets belangrijks ontdekken of bedenken wat anders niet naar boven was gekomen. Goede intellectuelen proberen met dat soort relevante overbodigheden te komen (en weten dat dat bijna nooit lukt). Goede beslissers hengelen naar kennis die niet in hun straatje past.