`Opluchting met vleugje gêne'

De P.C. Hooftprijs is gisteren uitgereikt aan Cees Nooteboom. De redenaars waren verwonderd dat dit zo lang heeft geduurd. Nooteboom: `Er heeft altijd een licht verdacht aura om me heen gehangen.'

`Een nationaal gevoel van opluchting en diepe tevredenheid, afgemaakt met een vleugje gêne.' Aldus karakteriseerde feestredenaar Hans van Mierlo de reactie op de toekenning van de P.C. Hooftprijs aan zijn vriend Cees Nooteboom. De grootste literaire prijs van Nederland, goed voor een bedrag van 60.000 euro, werd gistermiddag aan de 70-jarige Nooteboom uitgereikt voor zijn prozawerk, dat volgens de jury `wat betreft literaire zeggingskracht, reikwijdte en oorspronkelijkheid tot het beste behoort dat de afgelopen vijftig jaar in Nederland is voortgebracht.'

Alle sprekers op de feestelijke bijeenkomst in het Letterkundig Museum verwonderden zich erover dat het zo lang had moeten duren voor de in het buitenland gevierde schrijver de P.C. Hooftprijs kreeg. De voorzitter van het bestuur van de prijs zei in zijn welkomstwoord: `veelzijdige schrijverschappen passen nooit in onze indelingen.' Van Mierlo opperde in zijn roerende lofrede dat Nootebooms veelzijdigheid `een vertragende uitwerking [had] op jury's in dubio.' Juryvoorzitter en literatuurwetenschapper Elrud Ibsch grapte dat de jury van mening was dat `waardering door buitenlandse lezers geen uiting van slechte smaak hoeft te zijn.' En Nooteboom zelf concludeerde in een mooi verhaal over zijn wording als schrijver, waarin ook zijn verleden als reclameschrijver aan de orde kwam: `Er heeft altijd een licht verdacht aura om me heen gehangen.'

Maar gisteren werd Nooteboom door Nederland in de armen gesloten, nadat hij vorig jaar al de Oostenrijkse staatsprijs en afgelopen woensdag het Franse commandeurschap in de Ordre des Arts et Lettres had gekregen. Tientallen collega's kwamen hem feliciteren: oud-winnaars van de Hooftprijs als Harry Mulisch en Remco Campert, jongere Hooft-hopefuls als Afth en Connie Palmen, en zelfs een buitenlandse grootheid (tevens concurrent voor de Nobelprijs): Hugo Claus. Bij wijze van entr'acte werd Nooteboom, getooid met de ganzenveerdas die hij in 1962 op een schrijverscongres van de Britse dichter Stephen Spender had gekregen, geëerd met drie liederen van de fado-specialiste Cristina Branco. Zij zong onder meer een gedicht van J.Slauerhoff, Nootebooms grote voorbeeld als zwerver-schrijver, en zei later op de middag dat ze het zo jammer vond dat er van Nooteboom (nog) geen zingbare gedichten in het Portugees waren vertaald.

In zijn eigen toespraak vroeg Nooteboom zich af hoe iemand schrijver wordt. Een algemeen antwoord had hij niet, maar in zijn eigen carrière kon hij één beslissend moment aanwijzen: de avond dat hij als zestienjarige op het Eindhovens gymnasium kennis had gemaakt met de schrijver Anton van Duinkerken, die hem in beschonken toestand had toevertrouwd: `De bisschop van Roermond is een lul op purperen pantoffels.' Nooteboom: `Iets in één zin kunnen zeggen dat je onmiddellijk voor je ziet en dat ook nog iets betekent en een merkwaardige opwinding teweegbrengt, daar moet het om gaan.'