Nog nooit een boek gezien

Kinderen van laagopgeleide ouders raken in het onderwijs steeds verder achterop. De Scheveningse basisschool `De Tweemaster' probeert de trend te keren.

VLAK ACHTER de duinen van het Scheveningse strand ligt de wijk Duindorp. Het is een wijk vol met kleine arbeidershuisjes waar nog veel herinnert aan het vissersverleden; scheepsminiaturen in de vensterbak, meerpalen in de tuintjes en een viskraam prominent midden in de wijk. Duindorp is een van de enclaves met wat in welzijnsjargon `autochtone multiprobleemgezinnen' heet en in onderwijsjargon `1.25 leerlingen'. De openbare basisschool `De Tweemaster' is een van de weinige Nederlandse scholen met meer dan vijftig procent van deze leerlingen, kinderen van laagopgeleide autochtone ouders waarvoor het Rijk een extra bijdrage betaalt (1,25 maal het normale bedrag) om de leerachterstand te compenseren.

De scheidslijn tussen het speciaal onderwijs en deze school is vaag. De klassen zijn niet groter dan veertien leerlingen, maar het is een hele toer om ze bij de les te houden. In de lagere groepen zitten de kinderen niet stil en zijn ze snel afgeleid. In groep 8 zijn de leerlingen eerder apathisch. De meesten zijn te groot voor hun tafel en stoel. Ze hangen meer dan dat ze zitten. Alle leerlingen, op een na, hebben een jaar extra `gekleuterd'.

slecht

Vier jaar geleden stapte directrice Sjanie de Waal over van een zwarte basisschool uit de Haagse binnenstad naar De Tweemaster in Scheveningen. De school presteerde volgens de Inspectie van Onderwijs slecht en daarom werd twee jaar geleden de hulp ingeroepen van het Christelijk Pedagogisch Studiecentrum (CPS) voor onderwijsontwikkeling en advies uit Amersfoort. Sindsdien verbeteren de resultaten van de leerlingen met name op het gebied van lezen. Volgens de onderwijskundigen Jaap van Gilst en Harrie Kooijman van het CPS is die vooruitgang te danken aan de veranderde rol van de leerkrachten. ``Wanneer de verwachtingen van de leerkrachten worden opgeschroefd en de manier van lesgeven verandert en directer wordt, zie je de resultaten beter worden. Juist deze scholen hebben goede leraren nodig.''

Afgelopen december publiceerde het Sociaal Cultureel en Planbureau (SCP) het onderzoek `Autochtone leerlingen, een vergeten groep'. Conclusie van het rapport: de leerresultaten van deze groep dreigen verder achteruit te gaan. Op taalgebied halen de leerlingen van buitenlandse afkomst de autochtone achterstandsleerlingen in. Het rapport zoekt daar verklaringen voor. Een daarvan is dat bij deze groep leerlingen geen sprake meer zou zijn van zogenaamd onbenut talent zoals vroeger bij arbeiderskinderen maar eerder van een uitgeput talent.

``Qua erfelijke aanleg zouden de huidige achterstandsleerlingen minder goed toegerust zijn dan de eerdere arbeiderskinderen'', aldus het rapport. Een groot deel van de `1.25 leerlingen' bevindt zich op het platteland maar wanneer ze in de stad wonen is hun achterstand en gezinsproblematiek nog groter. Autochtone achterstandleerlingen zitten vaker op een school die volgens de Inspectie van Onderwijs niet goed functioneert, hun aandeel neemt ook toe in de laagste regionen van het vmbo: het praktijkonderwijs of leerwegondersteunend onderwijs (12%) en de groep doet meer aanspraak op de zorgtrajecten op scholen (16%). Daarnaast maken ze een grotere kans om uit te vallen in het voortgezet onderwijs.

Voor het CPS zijn deze schrikbarende cijfers geen reden om bij de pakken neer te zitten. Jaap van Gilst: ``Wij zijn er van overtuigd dat er met deze groep leerlingen wel degelijk vooruitgang valt te behalen. De rol van de school en de leerkracht wordt in Nederland zwaar onderschat. Er is in het Nederlandse onderwijs teveel aandacht voor de omgeving en leerlinggestuurd onderwijs en te weinig voor de rol van de leerkracht. In alle onderwijsvernieuwingen die de laatste jaren hebben plaatsgevonden is de rol van de leerkracht teruggedrongen. De leraar is begeleider van de leerlingen en de leerling bepaalt zijn eigen tempo en leerstof waar hij of zij aan toe is. Maar dat is desastreus voor leerlingen zonder eigen initiatief. Ze hebben dat van huis uit niet meegekregen zoals dat bij kinderen uit de middenklasse wel gebeurt. Daardoor bungelen ze altijd onderaan, krijgt hun eigenwaarde een flinke knauw en wordt het onderwijs een voortdurende bevestiging van hun mislukking.''

Volgens Van Gilst en Kooijman worden er ook teveel vernieuwingen doorgevoerd zonder te onderzoeken of die resultaat zullen hebben. Van Gilst: ``Veel vernieuwingen op het gebied van taal en lezen waren voor zwakke leerlingen bedoeld, maar absoluut niet succesvol. Volgens de Onderwijsinspectie loopt zeventien procent van de kinderen in groep 3 de kans om geen goede lezer te worden. Midden jaren negentig lag dit percentage nog onder de tien procent.''

verschillen

Het CPS ontwikkelde vijf jaar geleden het BOV-project: beginnend lezen en omgaan met verschillen en heeft het inmiddels afgesloten. Uit het evaluatierapport blijkt dat het percentage risicokinderen met zware leesproblemen in groep 3 gereduceerd kan worden van 17 naar 5 procent. Kooijman: ``Eenmaal opgelopen achterstanden zijn moeilijk te herstellen. Je kan dus beter achterstanden voorkomen.''

In het BOV-project moet de leraar zorgen voor een duidelijke structuur in de les. Hij doet zijn best om de zwakke leerlingen erbij te betrekken. Na de algemene instructie gaan de meeste leerlingen zelfstandig aan het werk en krijgt de zwakke groep lezers tien minuten langer instructie. Daarnaast krijgen ze een uur extra leesonderwijs. Er wordt veelvuldig getoetst om `risicolezers' op te sporen.

De doelstellingen en verwachtingen moeten omhoog. Van Gilst: ``Je ziet het vooral bij autochtone achterstandsleerlingen. Daar wordt niet veel meer van verwacht. Daarnaast bestaat er in Nederland ook een taboe op het aanpakken van slechte leerkrachten. Terwijl hun functioneren vaak desastreuze gevolgen heeft voor de zwakke leerlingen.''

De Tweemaster boekt vooruitgang. Directrice Sjanie de Waal: ``Het zijn kleine stapjes maar het is verbetering. De resultaten van de leerlingen liggen nu meer uiteen. Het is niet meer een en hetzelfde niveau. En ja, dat heeft zeker te maken met de verwachting. Ik zit af en toe met mijn handen in het haar als je weet wat deze kinderen thuis en op straat allemaal meemaken. Maar kinderen hebben recht op goed onderwijs. Daar help je ze meer mee dan de hele tijd bezig zijn met hun problemen. Dat ben je snel geneigd om te doen als docent. Dat is verkeerd. Daar help je het kind niet mee. Je helpt zo'n kind door het goed les te geven. We zijn nu begonnen met voor- en vroegschoolse educatie waar kinderen letters leren en voor het eerst voorgelezen worden. De kinderen hebben vaak thuis nooit een boek gezien want de ouders hebben vaak ook niet meer dan de lagere school gedaan. En misschien lijkt het zielig dat kinderen voor hun vierde moeten leren in plaats van spelen. Maar ook daar help je ze niet mee. De school is voor deze kinderen het enige instituut dat de vicieuze cirkel kan doorbreken.''