Niet exemplarisch

Wij kregen in 1982 een 16-jarig pleegkind. In 1992 werd ze voor het eerst opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis wegens een acute psychose als gevolg van schizofrenie. Ze woonde toen zelfstandig, had een havo-diploma, een secretaresse-cursus gevolgd en had een baan waarin het haar goed leek te gaan. De opname duurde enkele maanden waarin medicatie werd ingesteld. Daarna ging ze met medicatie en wekelijkse begeleiding naar huis, wat ze dolgraag wilde. Dit heeft zich enkele malen herhaald.

In 1998 startte de instelling een proefproject met een groep patiënten om hen bewust te laten worden van de aard van hun ziekte, van de mogelijkheden die er desondanks in hun leven waren en hoe ze die zouden kunnen benutten, van de eisen die de samenleving aan hun sociaal gedrag zou stellen. Deelname was vrijwillig maar niet vrijblijvend en betekende negen maanden samenwonen in een groep van twaalf patiënten op het terrein van het ziekenhuis, met intensieve begeleiding ook van de ouders.

Sindsdien is ons pleegkind nog eenmaal vanwege een ernstige psychose enkele maanden opgenomen, waarbij ze is overgezet op nieuwe medicijnen. Evenals na de vorige opnames wordt ze eens per week begeleid door een begeleider die samenwerkt met een psychiater, een klinisch psycholoog en een maatschappelijk werkende. De psychiater ziet ons pleegkind eens per maand. Ze woont zelfstandig en alleen, kan in het ziekenhuis warm eten en aan activiteiten en cursussen meedoen. Het gaat nu goed: er zijn weer sociale contacten, ze kookt weer zelf en doet enkele halve dagen per week vrijwilligerswerk.

Wij concluderen dat ons pleegkind uitstekende en stimulerende zorg werd en wordt geboden. Het verhaal van mevrouw van der Heijden is dus niet algemeen geldig.