Kerry's stilte: opzet of onvermogen?

Waar blijft het weerwoord van John Kerry op het Irak-beleid van president Bush? Zeker nu dit een thema bij de verkiezingen lijkt te worden, vraagt zijn aanhang om respons.

Maandagavond houdt president Bush een als belangrijk aangekondigde toespraak over de soevereiniteitsoverdracht in Irak. ,,Moeilijke weken wachten ons, maar de democratie ligt op koers.'' Na afloop zal zijn Democratische uitdager John Kerry iets kritisch zeggen dat niemand zal onthouden.

Heeft de Amerikaanse president vrij spel? Kan `Irak' nog zo fout lopen, kunnen de redenen om er oorlog te voeren één voor één ongeldig blijken, en heeft de oppositieleider van de machtigste democratie op aarde geen weerwerk? Het is een vraag die vooral leeft bij het deel van de Amerikanen dat op het vertrek van de president hoopt.

Buitenlands beleid speelt geen een rol bij presidentsverkiezingen. Dat is de regel. Maar dit is 2004 en met de situatie in Irak is het moeilijk voorstelbaar dat de kiezers zich in november niet afvragen wie hen het best uit het drijfzand kan leiden.

Maar wat moeten de kiezers als de Republikeinse president en zijn belangrijkste tegenspeler bijna hetzelfde zeggen over `de oorlog': de noodzaak het verzet te breken en Irak aan een minimale vorm van democratie te helpen? Alleen de kansloze kandidaten Dennis Kucinich en Ralph Nader pleiten voor onmiddellijke terugtrekking van de Amerikaanse troepen.

Enquêtes suggereren dat Amerikanen dit keer al vroeg hun politieke voorkeur hebben gevormd. De strijd gaat de komende maanden dus om de steun van de politieke geheelonthouders en de late beslissers. Waarom zouden zij op de als bestuurder onervaren Democraat Kerry stemmen? Zeker als hij maar zelden in het nieuws komt, terwijl het Witte Huis iedere dag iets opbeurends te zeggen heeft?

In gesprekken met `gewone' Democraten hoor je vaak: als hij met deze `Irak-successen' van de president niet kan scoren, wanneer dan wel? Was Howard Dean er nog maar! Maak je geen zorgen, zeggen insiders dan, dat is opzettelijk, Kerry hoeft Bush niet voor de voeten te lopen bij het maken van meer fouten. Als hij maar een geloofwaardig alternatief is, weten de kiezers hem wel te vinden.

Het New Yorkse weekblad The Village Voice was de eerste die het uitriep: John Kerry Moet Weg! Het is nog niet te laat om een ander te vinden! Slechts een enkele columnist volgde het weekblad. Politici, de meeste vakbonden, milieu- en andere actiegroepen zingen eensgezind het Kerry-lied. Alles liever dan Bush helpen.

Mensen die de Kerry-campagne van dichtbij meemaken signaleren overigens een gebrek aan coördinatie op het terrein van de buitenlandse politiek. Zoals één insider zei: ,,Het komt er op neer dat hij met allerlei kandidaat-ministers belt en adviezen van stafmedewerkers krijgt, maar uiteindelijk is hij zijn eigen beste diplomatieke adviseur.'' De gevolgen zijn vaak hoorbaar: een improviserende Kerry, wiens ingewikkelde formuleringen nogal eens achteraf uitgelegd moeten worden.

De diplomaat Rand Beers is sinds zijn terugtreden uit de Nationale Veiligheidsraad van president Bush in 2003 de buitenlandcoördinator van John Kerry. Er zijn intussen drie kopstukken die strijden om de post van aanstaand minister van Buitenlandse Zaken: Richard Holbrooke (onderhandelaar van de Bosnië-akkoorden), senator Joseph Biden en Samuel Berger (Veiligheidsadviseur van Clinton).

Alledrie steunen Kerry's `verantwoordelijke lijn' inzake Irak. Omdat zij nog in een openbare sollicitatiefase lijken te verkeren, heeft geen van hen het gezag om namens een toekomstige `regering-Kerry' te spreken. Dat komt de slagkracht van de Kerry-campagne niet ten goede. Berger heeft in het blad Foreign Affairs van mei/juni een schets gegeven van een buitenlandse politiek van Kerry. Het gaat dit jaar minstens even veel om de middelen dan de doelen, constateert hij. Berger schetst hoe het debat niet tussen de partijen, maar tussen twee stromingen gaat die binnen beide partijen voorkomen: de `vooruitstrevende internationalisten' en de `isolationisten' die vinden dat de VS zo nodig alleen moet optreden. Bush, die zich na `11 september' nog meer tot de laatste stroming bekeerde, heeft al doende veel brokken gemaakt, zegt Berger: de wereld van zich vervreemd in de aanloop naar `Irak', het Israëlisch-Palestijnse conflict laten escaleren, Noord-Korea gebruskeerd maar de kans gegeven kernwapens te produceren.

Kerry's behoedzaamheid past binnen het harder geworden denken van de `liberal foreign policy establishment', maar zoals Harold Meyerson in The Washington Post constateerde toen de VS eerder waren vastgelopen in onwinbare buitenlandse avonturen, won de kandidaat die díe realiteit onder woorden bracht. Zowel Korea (Truman) als Vietnam (Johnson) kostte de zittende president zijn baan. Kerry zit geklonken aan een idealistische visie van Amerika's rol in de wereld, die het hem onmogelijk maakt het rampzalige avontuur van Bush af te fluiten. Hem zou worden verweten de nationale eer én Irak in de steek te laten voor politiek gewin.

Weinig Democratisch georiënteerde denkers wijken ver van die lijn. Behalve misschien James Steinberg en Michael O'Hanlon van de Brookings Institution: zij willen een concrete datum voor terugtrekking van de Amerikaanse troepen vastleggen om het vertrouwen bij Irakezen te herstellen. Kerry heeft zich er niet aan willen binden.

Het was allemaal theorie als buitenlands beleid dit jaar niet de beslissende factor zou kunnen zijn. De economie herstelt zich, maar de ongelijkheid is toegenomen onder Bush. Wie nu vóór hem is, blijft vóór, wie tegen is, tegen. Hetzelfde geldt in andere maatschappelijke thema's. Resteert Amerika's veiligheid. Terwijl het algehele aanzien van Bush blijft afnemen, geniet hij nog veel meer vertrouwen dan Kerry in de oorlog tegen terrorisme. Lukt het de Bush-campagne Irak te blijven afschilderen als een sleutel-veldslag in die oorlog? Dan redt Kerry het niet met zijn overdosis genuanceerdheid.

Toch is die een deel van de ware Kerry, vertelde laatst een oude vriend uit de eerste, onsuccesvolle politieke campagnes van de huidige senator uit Boston. Tommy Vallely is directeur van het Vietnam-programma van de Kennedy School of Government van Harvard University. Hij zei: ,,De nederlagen hebben John Kerry sterker gemaakt. Hij heeft geleerd dat je moet terugschieten. Hij is een gerijpte politieke figuur die meer dan één truc kent. Hij kwam misschien terug uit Vietnam als een Howard Dean, maar zijn kijk op de wereld is veel complexer geworden. Hij ziet de risico's van Amerika's zelf opgelegde plicht om uitzonderlijk te zijn.''

Dat is de ironie: Kerry erkent de ingewikkeldheid van de werkelijkheid geen slechte eigenschap voor een president. Maar verkiezingen winnen is een apart vak. Toen de vredeskandidaat Dean dreigde de Democratische nominatie op te strijken, zag Kerry in Iowa kans hard en simpel terug te slaan. Alleen als hij die toon terugvindt, kan hij het Bush lastig maken.