Iraks oliefraude en een `lekke' VN-controle

De fraude bij het olie-voor-voedselprogramma van de VN in Irak staat in de belangstelling. Er lopen vier onderzoeken naar. Over de Nederlandse connectie en de `Realpolitik' in de VN-Veiligheidsraad.

Aan de kade van het kunstmatige haveneiland Mina al-Bakr, vijftig kilometer van het Iraakse Basra, ligt op 16 mei 2001 de Liberiaanse tanker Essex ruwe olie in te laden. Vanuit de Iraakse pijpleidingen worden er 1.800.000 vaten (barrels) olie naar binnen gepompt. Een uur nadat de officiële documenten zijn getekend en de inspecteur van de Verenigde Naties teruggekeerd is in zijn kwartier, zetten de Irakezen de kraan nog even open om 230.000 barrels olie extra te laden.

Het is een van de manieren waarop Irak vóór de oorlog de hand lichtte met het olie-voor-voedselprogramma dat de VN vanaf 1996 hadden. Dat programma moest ervoor zorgen dat de verarmde Irakese bevolking voedsel en medicijnen kon krijgen uit de opbrengst van olieverkoop zonder dat het regime aan het geld kon komen. De humanitaire hulp bereikte de Irakezen wel, maar Saddam Hussein wist er dankzij omvangrijke fraude toch flink garen bij te spinnen. Naar schatting vloeide er jaarlijks ruim 2 miljard dollar naar hem.

De fraude bij het olie-voor-voedselprogramma staat in de belangstelling sinds in januari in Bagdad documenten opdoken waaruit zou blijken dat Saddam met dat geld westerse bedrijven en personen heeft omgekocht. De Arabische pers publiceerde een lijst met 270 namen van ontvangers van olierechten onder wie Franse politici als oud-minister Pasqua en Russische oliefirma's als Lukoil. Inmiddels lopen er onderzoeken van de VN, bezettingsmacht in Irak, Iraakse regeringsraad en Amerikaanse Senaat.

De vraag is of de namenlijst echt is of niet. De suggestie die ervan uitgaat, is deze: met zijn oliegeld stimuleerde Saddam de oppositie tegen de Amerikaans-Britse aanvalsplannen die vooral uit Franse, Russische en Duitse hoek kwam.

Op de lijst prijken ook de namen van twee bedrijven met een Nederlandse connectie, oliehandelaar Trafigura uit Amstelveen die de Essex charterde en inspectiebedrijf Saybolt uit Vlaardingen. Op de beschuldiging van omkoping wil directeur Heinsbroek van Saybolt geen commentaar geven zolang de onderzoeken plaatsvinden. Zijn bedrijf deed namens de VN onderzoek naar de Iraakse olie-infrastructuur, die door opeenvolgende oorlogen was beschadigd. Maar sinds 1996 was Saybolt door de VN ook ingeschakeld om toezicht te houden op de oliestroom. Dat deed het bedrijf op de twee plekken waar olie-export was toegestaan: bij de Turkse havenplaats Ceyhan, waar een oliepijp uit Irak uitmondt, en op het eiland Mina al-Bakr waar de Essex lag aangemeerd. Zo'n tien man van Saybolt waren hierbij betrokken.

De affaires rond de Essex zijn redelijk gedocumenteerd omdat kapitein Theofanis op een dag op de Amerikaanse ambassade in Athene zijn verhaal deed. Niet alleen op 16 mei 2001 liet hij zijn schip nog eens extra vollopen. Ook op 27 augustus: dit keer werden 270.000 vaten bijgepompt. Olie dus, die boven het toegestane maximum geëxporteerd werd en waarvan de opbrengst niet op de speciale escrow-rekening van de VN bij de Banque National de Paris (BNP) terecht kwam om humanitaire goederen te kopen. Maar op een andere rekening, in Zwitserland.

Naar aanleiding van het incident heeft het sanctiecommité van de VN ook gekeken naar de rol van Saybolt, dat de controle op Mina al-Bakr uitvoerde. Daaruit is toen niet geconcludeerd dat de inspecteurs betrokken zijn bij de fraude. Het was wel `toevallig' dat het twee keer dezelfde inspecteur was die het schip controleerde en de Notification Letter voor de toegestane hoeveelheid olie tekende.

Verder leken de zware omstandigheden corruptie in de hand te werken: veel mensen op een kleine ruimte op een kunstmatig eiland, voortdurend contact met de Irakezen die voor Saddams regime werkten, met mogelijke verbroedering tot gevolg. Maar diezelfde omstandigheden maakten gecorrumpeerde inspecteurs juist ook weer minder waarschijnlijk: er waren in de beperkte ruimte altijd vier of vijf andere inspecteurs in de buurt. Mocht een van hen iets gezien hebben, was er altijd een `kliklijn' van Saybolt beschikbaar waar medewerkers anoniem hun verhaal konden doen. Ook bleven inspecteurs gemiddeld slechts acht weken op het eiland, en was tevoren niet bekend wie welke boot zou controleren.

De problemen met het olie-voor-voedselprogramma gaan veel dieper dan het Essex-incident. ,,Het hele systeem was zo lek als een mandje,'' zegt Coby van der linden, hoofd internationaal energieprogramma van Instituut Clingendael. ,,Het is voor de VN uiteindelijk onmogelijk gebleken Saddam met een escrow-rekening in de knip te krijgen.''

Vanaf het begin was Saddam bezig de zaak te traineren. Omdat hij mocht bepalen aan wie hij de Iraakse olie verkocht, bevoordeelde hij vooral Russische oliemaatschappijen, in plaats van de Britse of Amerikaanse vijand. Het was een publiek geheim dat voor die contracten flinke sommen smeergeld betaald moesten worden, geld dus dat weer in de zakken van Saddam vloeide. Soms eiste het regime in alle openheid geld, en draaide het de oliekraan tijdelijk dicht om de eis kracht bij te zetten.

Die praktijken brachten de meeste grote oliemaatschappijen er in 2001 toe geen rechtstreekse zaken meer te doen met Irak. Sindsdien traden er in de oliehandel met Irak onder het VN-programma steeds vaker vage tussenpersonen op, die de contracten sloten en die Irak daar waarschijnlijk wel een prijs voor betaalden. De VN stelden wel een marktconforme prijs vast die voor de olie betaald moest worden, maar controle daarop bleek zeer moeilijk.

Ook hierin is de zaak rond de Essex een illustratie. De Essex was gecharterd door de in Nederland gevestigde grondstofhandelaar Trafigura; volgens directeur Weber eigendom van een aantal niet-Nederlandse particulieren en goed voor een jaaromzet van zo'n 12 miljard dollar. Trafigura had de olie gekocht van de in Bermuda gevestigde tussenhandelaar Ibex die de olie weer had gekocht van Irak. Tegenover de Wall Street Journal verklaarde Trafigura in 2002 dat het bedrijf niet wist of het geld dat het aan Ibex betaalde op de speciale VN-bankrekening terecht zou komen. Bovendien erkende het bedrijf een ,,premie'' van 40 dollarcent per barrel te betalen boven de officiële VN-prijs.

Ook via andere wegen werd op grote schaal olie Irak uitgesmokkeld. Over de weg naar Turkije, Jordanië en Syrië. Het rapport Sources of revenue for Saddam & Sons van de Coalition for International Justice in Washington gaf in september 2002 al een inventarisatie van de lekken in het olie-voor-voedselprogramma: ,,Het vakmanschap was zo ondeugdelijk en de tanks zo overvol dat de weg tussen Kirkuk en het Habur-kruispunt soms onbegaanbaar was vanwege de gemorste olie,'' zo staat er over de illegale Turkije-route. Allemaal zaken die bekend waren bij de grote VN-lidstaten, maar die hadden weinig zin om de relaties met de buurlanden van Irak op scherp te zetten, stelt het rapport.

In dat licht heeft de plotse opwinding over het olie-voor-voedselprogramma iets merkwaardigs. Vooral in de VS roepen conservatieve politici de `VN-bureacratie' ter verantwoording. Die had beter moeten controleren. Maar het waren juist VN-functionarissen die waarschuwden tegen de fraude en de lekken probeerden te dichten, schreef oud-VN-directeur Andrew Mark vorige week in de International Herald Tribune. Maar de beschuldigingen zijn volgens hem nooit serieus onderzocht door de ,,Realpolitik'' in de Veiligheidsraad.