In de Rotterdam School of Management durft niemand de eerste vraag te stellen aan superbink Jack Welch

Als alle studenten management gaan studeren in plaats van een andere studie, valt er straks niemand meer te managen, waarschuwt Maarten Huygen .

Op de terugweg uit Rotterdam stopte onze intercity al bij Delft en meldde de geluidsinstallatie dat we met zijn vierhonderden moesten uitstappen. Een buitenlandse zakenman met leren aktentas naast me verstond geen Nederlands en vroeg me ongerust wat er aan de hand was. Hij moest zijn vliegtuig halen op Sjiphol en nu dreigde hij te laat te komen. Het corporate reisbureau had hem vast verzekerd dat Sjiphol zulke uitstekende treinverbindingen had met het achterland en nu stond hij tussen massa's onverstaanbaar Nederlands mompelende mensen hulpeloos te wachten op wat komen ging. Hij wist nu wel beter dan zijn reisbureau. Hetgeen wil zeggen hoe belangrijk ons belastinggeld is voor investeringen in publieke voorzieningen. Geen betrouwbare treinverbinding met Schiphol, dan ook minder zakenlieden uit het buitenland.

Terwijl ik mijn best moest doen om niet van het overvolle perronnetje op de rails te worden gedrongen, dacht ik terug aan de manier waarop er, eerder die dag op een conferentie van de Rotterdam School of Management, triomfantelijk werd afgegeven op de overheid door honderden Nederlandse managers. Dat was naar aanleiding van de oneliner van de Amerikaanse management-superman Jack Welch dat ,,de overheid niets voortbrengt. Ze spenderen alleen wat je hen geeft en meer dan dat''. Maar aan het spoor had de overheid wel meer kunnen spenderen, zodat zakenlieden en werknemers minder uren verliezen aan kapotte wissels en treinen.

Na zijn vertrek als topman van General Electric heeft Welch thuis zijn tweede vrouw ontslagen, groeit hij persoonlijk in zijn nieuwe huwelijk en reist hij in een bedrijfsvliegtuig de wereld rond om de boodschap te brengen. Winning luidt de titel van zijn volgende boek. Hij is een kleine stevige bink die kernachtig formuleert, zoals hij vroeger orders uitdeelde. Voor 1000 euro de man konden de managers hem in Rotterdam aanhoren en voor een veel groter bedrag mochten ze in kleiner gezelschap van zijn scheurkalender-wijsheden genieten, maar daar was geen animo voor. Hij heeft General Electric tot het grootste bedrijf ter wereld gemaakt door jaarlijks de slechtste werknemers te ontslaan, tien procent van het geheel, en de beste te belonen, twintig procent van het geheel. Hierdoor groeide General Electric zo snel dat hij veel nieuwe mensen kon aannemen. In Europa daarentegen worden niet de slechtste werknemers eruit gegooid maar degenen met de geringste anciënniteit, ook al presteren ze nog zo goed. Dat is niet best, geef ik toe, maar het is een uitwas van Europese collectieve regelingen, terwijl Amerika is gebiologeerd door de man aan de top, de leider, de man van `opzij voor mijn bonus'.

Typerend voor het Hollandse collectivisme was dat niemand uit de zaal de eerste vraag durfde te stellen, toen de speciaal voor de presentatie uit Washington overgevlogen NOS-correspondent Charles Groenhuijsen, daartoe uitnodigde. Er ging geen enkele vinger omhoog. In Amerika verdringen de toehoorders zich altijd voor een kritische eerste vraag. In Rotterdam durfde pas na minuten lang aandringen een verloren eersteling een schuchtere vraag aan. Daarna pas gingen de andere vingers en masse omhoog.

Nederland heeft zich sinds de jaren tachtig laten meeslepen in de romantische verering voor `leiders' van grote bedrijven en overheidsinstellingen. Zij zijn de ridders die eenzaam vooraan strijden voor onze welvaart. In slechte tijden worden ze als boeddhabeelden volgepropt met bonussen en salarisstijgingen. De studenten van de Rotterdam School of Management willen ook topmannen worden. KPN bestaat slechts uit één werknemer en dat is Ad Scheepbouwer, Schiphol wordt door Gerlach Cerfontaine gerund, pensioenverzekeraar PGGM zijn de initialen van Karel Noordzij en ING is de burcht van de vertrekkende Ewald Kist. Al die coryfeeën namen deel aan het Rotterdamse seminar. Wim Kok, de voormalige topman van Nederland, legde bescheiden het verschil uit tussen regeren en managen. En Roel Pieper, de dolende topman die voor zijn vroegtijdige vertrek uit Philips miljoenen ontving, pakte uit over innovatie.

Heeft Welch echt in zijn eentje General Electric gered? Hij heeft veel te danken aan belastingbetalers, want bij zijn aantreden in 1981 begon de Amerikaanse overheid aan een ongekende verhoging van de defensie-uitgaven en GE produceert ook veel defensietechnologie. Zijn opmerkingen over Amerikaanse politiek concentreerden zich op defensie en veiligheid, zijn vroegere vak. Hij gaf toe dat General Electric vooral buiten Amerika, in Azië, groeit. Van dergelijke giganten moet de Amerikaanse economie het dus niet hebben.

Welch was ook in Denemarken geweest, vertelde hij. Dat land is socialer dan Amerika en toch gaat het daar economisch voor de wind. Hij had geen idee hoe dat mogelijk was. Ik ken geen enkele topman uit Denemarken aan wie dat succes valt toe te schrijven. Wel gaat er daar veel geld naar innovatie.

Maar in Nederland studeert iedere getalenteerde het vak management in plaats van zich te verdiepen in technologie of wetenschap. Die studenten zijn niet gek. Het leger managers wordt beter betaald dan het handjevol bèta-techneuten. Samen staan de managers sterk, ook in deze Rotterdamse zaal. Daar hebben ze geen vakbond voor nodig.

En zo krijgen we een groeiend aantal knappe specialisten in het aansturen van een afnemend aantal anderen. Generaals zonder troepen. Ze kunnen het alleen af. Shell-managers ontsloegen niet hun managers maar hun olie-ingenieurs en nu heeft Shell te weinig olievoorraden. Het lijkt me een conferentiethema voor een van de talloze Nederlandse management-opleidingen: ,,Hoe blijven er mensen over om te worden gemanaged?''. Dan kunnen ze een gedenkteken oprichten voor de onbekende ingenieur. Sinds ik weet wie de topman van de Nederlandse Spoorwegen is, rijden de treinen niet meer op tijd.