`Hoofddoek is hier geen issue'

Leyla Çakir is de enige vrouw die voorzitter is van een moskeevereniging in Nederland. ,,De overheid wakkert angstgevoelens tegen de islam aan''.

Tot voor enkele jaren was ze nog trots op Nederland. De Nederlands-Turkse Leyla Çakir (25) kon het in het buitenland ,,vaak niet nalaten hoog op te geven over de tolerante houding van de Nederlanders ten opzichte van buitenlanders én de islam''. Maar ze ervaart nu dat er ook veel schijntolerantie is. ,,Als ik een hoofddoek zou dragen, dan zou iedereen meteen aannemen dat ik achterlijk ben en onderdrukt word.''

Çakir, zonder hoofddoek, is sinds 2003 voorzitter van het algemeen bestuur van de afdeling Geleen van de Islamitische Stichting Ihlas Nederland. Ze is de enige vrouw in die functie. Nederland telt enkele honderden Turkse en Marokkaanse moskeeën, verspreid over het land. De Turkse gemeenschap heeft circa 230 gebedshuizen, waarvan het merendeel (142) is aangesloten bij het Diyanet, het directoraat van de Turkse overheid voor religieuze aangelegenheden. Niet één van de moskeeën in Nederland heeft een vrouw als voorzitter van het moskeebestuur. ,,Geleen heeft écht de primeur'', geeft Haci Karacaer, landelijk voorzitter van Mili Görüs, toe. ,,Gefeliciteerd.''

Çakir – blauwe ogen, lang middelbruin haar en modieus gekleed – is er niet van onder de indruk. ,,Wat maakt het uit of je man of vrouw bent? Voor mij telt dat ik iets wil betekenen voor de Turkse gemeenschap in Geleen. En dat ik geen hoofddoek draag, dat is voor Turkse moslims hier geen issue. Ik ben er nog nooit door één van hen op aangesproken.'' Tot voor enkele jaren reisden de Turken in Geleen naar het Belgische Maas-Mechelen voor een bezoek aan de moskee. Gedurende ramadan, als meer moslims dan normaal bidden, huurde men gezamenlijk een eigen ruimte in Geleen. De noodzaak van een permanente gebedsruimte groeide toen de gemeenschap eind jaren negentig was uitgegroeid tot zo'n 500 Turken. Er werd een stichting opgericht en die kocht het voormalige Groene-Kruisgebouw in de wijk Lindenheuvel en verbouwde het tot moskee annex ontmoetingsruimte. Çakir, die in 1999 tot het bestuur toetrad: ,,Ik schreef toen vaak de brieven aan de gemeente, de politie, culturele instellingen en religieuze organisaties. Ik was actief in de buurt, zat in het jongerenwerk en kende vrijwel iedereen in Geleen.'' Mithat Sançak, één van de oprichters van het eerste uur: ,,Ik spreek nog steeds niet goed Nederlands. Leyla en haar generatiegenoten doen dat wel. En ze beschikken over contacten met de rest van de gemeenschap in Geleen.'' Hij zegt dat niemand, ook de mannen van de eerste generatie niet, er maar een minuut bij hebben stilgestaan dat Leyla vrouw was toen ze haar in het bestuur kozen en later tot voorzitter benoemden. ,,Dat we iets unieks deden, realiseerden we ons pas toen we van het Diyanet vernamen dat we de enige moskeevereniging in Nederland waren met een vrouw aan het hoofd.''

In 1999 ervoer de Turkse gemeenschap in Geleen al enig weerstand tegen de islam. Hoewel de buurt zich niet openlijk uitsprak, werd gefluisterd dat men tegen de komst van het gebedshuis was, zo dicht op de woonhuizen. Çakir sprak met de korpschef, politici, gemeentelijke instellingen én met de buurtbewoners. ,,Ik kom als jonge, modern ogen vrouw niet bedreigend over. Daardoor ben ik in staat vooroordelen weg te nemen.''

Het moskeegebouw zonder minaret ligt verscholen achter hoge groene heggen. Alleen het bordje Islamitische Stichting Ihlas Nederland, afdeling Geleen aan het begin van de smalle oprit, verraadt dat het hier gaat om een moskee. ,,We zijn inmiddels toe aan een groter gebouw'', zegt Çakir, ,,maar ik denk dat dat heel moeilijk wordt. Vrijwel niemand is nog bereid om onroerend goed aan een islamitische vereniging te verkopen omdat men weet dat de buurt niet zit te wachten op de komst van een moskee.'' Ze vindt dat die angstgevoelens de laatste jaren ook worden aangewakkerd door de landelijke overheid. ,,In plaats van met moskeeën samen te werken om de integratie van allochtonen in Nederland te bevorderen, zoals burgemeester Cohen in Amsterdam voorstaat, zet de overheid zich juist tegen moskeeën af.''

Çakir werkt door de week als intercultureel opbouwwerkster in een achterstandwijk in Weert. Vrijwel iedere zaterdag is ze in de moskee te vinden. ,,Ik help bij het invullen van ingewikkelde formulieren, geef informatie over nieuwe wetten en adviseer over de opvoeding van de kinderen als er problemen zijn. En ik moedig iedereen, ook vrouwen, aan om Nederlands te leren. Dat is nog een groot probleem hier. De gezinshereniging kwam in Geleen pas zo'n tien, twaalf jaar geleden op gang. We hebben dus een relatief jonge gemeenschap. Bovendien wonen hier nogal wat truckchauffeurs die nauwelijks thuis zijn. Hun vrouwen zijn daarom zelfstandiger dan de meeste Turkse vrouwen in achterstandswijken in grote steden.''

Çakir is het met minister Verdonk (Integratie en Vreemdelingenzaken) eens dat er een opleiding voor imams in Nederland zelf moet komen. ,,Veel moslimjongeren hier verkeren in een identiteitscrisis. Door de discussies in Nederland over de islam worden ze meer dan voorheen op hun geloof teruggeworpen. Eerder werden ze als Turken of als Marokkanen, als allochtonen, aangesproken, nu als moslims. Daardoor worden ze gedwongen om een keuze te maken waar ze staan, wat voor soort moslim ze willen zijn. Om dat te begeleiden hebben we imams nodig die betrokken zijn bij Nederland.'' Volgens haar spreken veel jongeren inmiddels beter Nederlands dan Turks, Berbers of Arabisch. ,,Ook ik ben daar een voorbeeld van.''