Een ver dreunen

Op de dag dat de Tweede Wereldoorlog begon gingen we na vier weken aan zee weer naar huis. We, dat waren mijn vader en moeder en ik, en de zee was de Noordzee bij Noordwijk. Ik was twaalf. Voor het eerst in mijn leven werd ik overvallen door het gevoel dat ons niets goeds te wachten stond; niets anders dan groot onheil. Dat ging vlug over. De oorlog kwam nog niet bij ons en de school begon weer, met alle gedoe van dien. Oorlog bleef theorie, met in de Panorama de dwarsdoorsneden van de Maginotlinie en de Siefriedlinie, van waaruit de Geallieerden en de Duitsers elkaar door verrekijkers in de gaten hielden en af en toe een schot losten. Drôle de guerre. Verder bestudeerden we het belangrijke boek Oorlogsvliegtuigen der belligerenten. In de strenge winter van '39-'40 (van de vorige eeuw) raakte de Waterlinie bevroren. In de Cineac kon je zien hoe onze soldaten met cirkelzagen grote wakken in het ijs maakten om de onneembaarheid van de Vesting Holland te herstellen. Rats, kuch en bonen. En nog een liedje, gezongen door een soldaat die ergens was ingekwartierd. `Bij die dikke dikke in 't kwartier, heb ik 't dik naar mijn plezier', en het refrein: `En o mevrouw Van Buren, kon dat maar jaren duren!' Goeie ouwe tijd. Zo is het wel weer genoeg.

Toevallig was ik op 14 mei in Rotterdam, reed door het deel van de stad dat precies 64 jaar geleden in brand stond. De mensen die toen geboren werden gaan volgend jaar met pensioen. Het enige wat me nog lang aan de oorlog heeft doen denken waren de sirenes die elke eerste maandag van de maand proefloeiden. Tientallen jaren is het zo gegaan. Maar er gebeurde niets. De vrede was zo definitief gevestigd dat het proefloeien werd afgeschaft. Nu zijn ze er weer, maar niet meer wat ze waren. Vernieuwd. Ontdaan van hun historische lading.

Toen kwamen de vliegtuigkapingen, elf september, de oorlog tegen Irak begon. Steeds meer mensen werden weer bang. Dat hoeft niet, schreef columnist van de New York Times Thomas Friedman. Ik lees hem graag. Vorig jaar, op 26 april, heb ik zijn column hier geciteerd. Eind jaren negentig hadden we de zeepbel van de beurs, schreef hij. Van niets hoefde je nog verstand te hebben. Als je maar aandelen kocht, werd je vanzelf rijk. Tot de bel barstte. Toen kregen we de zeepbel van de corporate governance. De heren van Enron en Andersen werden ontmaskerd. Iedereen die aan het hoofd stond van een groot bedrijf werd automatisch een ladelichter. Ook in Nederland had je van die types. Maar dat ze allemaal de lade hadden gelicht, nee, dat ook weer niet. En zo, zegt Friedman, hebben we nu de zeepbel van de angst. Binnenkort zullen we merken dat de kans op kaping in een vliegtuig zo klein is geworden, dat je weer rustig over de hele wereld kunt. Sars en de vogelpest hebben we ook alweer achter de rug. Op het spitsuur op een zebrapad de straat oversteken blijft nog altijd gevaarlijker.

Dat is de strekking van Friedmans stukje van meer dan een jaar geleden. Met de oorlog ging het toen gesmeerd. Het einde van de major operations moest nog komen. Collega Friedman kreeg iedere dag meer gelijk – toen.

Soms wilde ik een vliegtuig in. Eerst schoenen uittrekken, broekriem af, kleingeld in een bakje, bril ook – want die heeft metalen scharnieren. Klaag niet, je raakt eraan gewend, een terrorist kan ook vermomd als S. Montag een vliegtuig betreden. De mensen die ons behoeden voor het kwaad sluiten niets meer uit. Het is allemaal gewoon geworden. Gevangenen worden gemarteld. Dat gaat om de inlichtingen. Een hele wijk in Palestina wordt met de grond gelijk gemaakt. Zo wordt de terroristische infrastructuur vernietigd. U wilt toch niet dat wij door de terroristen worden vernietigd? Wen eraan. Het is gewoon. Aanpakken. Hard aanpakken. Keihard aanpakken.

Hoe het kwam, welk opperwezen erachter zat weet ik niet, maar in een late trein van Rotterdam naar Amsterdam, alleen in de coupé, zonder enige bedreiging van het gewone gespuis, werd ik overvallen door het gevoel van 65 jaar geleden. Ik herkende het. Onheil. Niet pluis. De lucht was vervuld van een naderend dreunen, om het eens dramatisch te zeggen. Het kwam van alle kanten. En het was alweer over; Montag had zijn gebruikelijke kalmte hervonden.

In het interbellum (van de vorige eeuw) had je de salontafelboeken van het onheil. Opstand der horden, In de schaduwen van morgen, Geschonden wereld, Trahison des clercs, Untergang des Abendlandes, die laatste vooral. Ze werden verslonden. Nu komen dergelijke boeken uit Amerika. Druk na druk vliegt daar de winkel uit. Hier niet. Dat geeft te denken. Daar ben ik nu mee bezig.

Enig goed nieuws tot besluit. Bodega-restaurant Keyzer, dat tot reddeloos verval gedoemd leek, naast het Concertgebouw wordt nu voortvarend gerenoveerd, door mensen die uit Engeland zijn overgekomen. Bij mijn laatste inspectie zag ik dat de lambriseringen worden geplaatst. Als het wereldgebeuren aan Keyzer voorbij blijft gaan, wordt het deze keer op de afgesproken datum heropend.

Vorige week vroeg ik u na te denken over een formule waarin Begeren, Organiseren en Genieten (onafscheidelijk met elkaar verbonden) zijn ondergebracht. Over vier weken, als ik ook weer bij mijn briefpost kan, worden hier de resultaten gepubliceerd.