Echte lijken

Toen de Thalys tussen Antwerpen en Brussel plotseling stil kwam te staan, en er vervolgens een tijdje helemaal niets gebeurde, wisten ik en mijn medereizigers al snel hoe laat het was. Een zelfmoord. Ik had ergens gelezen dat zo'n honderd treinbestuurders van de NS getraumatiseerd thuis zitten omdat ze er niet langer tegen konden het was kennelijk een epidemie. Om me heen werd druk over zulke statistieken gespeculeerd, terwijl we treinpersoneel met bedrukte gezichten buiten langs onze wagon zagen lopen. Een stem kondigde via de luidsprekers vertraging aan wegens een persoonlijk ongeluk, in drie talen. Toen hij bij het Engels was aanbeland, flapte hij er onverbloemd ,,suicide'' uit en daarna stokte de stem. We hoorden nog een droge snik, daarna werd de geluidsinstallatie abrupt uitgeschakeld.

Dat was een vreemd moment, want door die snik zagen we ineens een man voor ons die zijn best deed professioneel te handelen, maar zijn emoties niet langer de baas was. Daardoor drong het tot ons door wat er eigenlijk gebeurd was en wat er op dat moment buiten de trein te zien moest zijn. We hadden niks gezien en niks gevoeld, en tegelijk wisten we dat er een aan flarden gereten lichaam man? vrouw? jong? oud? onder ons op het spoor lag. Het bleef onwerkelijk na een kwartiertje doodse stilte begonnen we ons af te vragen hoe lang de vertraging zou duren.

Aan dat ongeziene, maar echte lichaam moest ik weer denken, toen ik een paar dagen later in een Parijse bioscoop naar de film Troy keek en zag hoe Achilles (Brad Pitt) het ontzielde lichaam van Hector (Eric Bana) achter zijn strijdwagen rond de muren van Troje sleepte. In de film is dat het moment waarop Achilles te ver gaat: Hector heeft zijn Patroclus (in de Hollywood-versie van de Ilias een neef) geveld en Achilles neemt wraak door hem in een duel te doden, maar hij tart de Geneefse conventies van zijn tijd door het lichaam te vernederen en te verminken. Op papier in Homerische regels lukt het je nog wel het in de context van zijn brute tijd te zien, maar in een hedendaags Hollywood-spektakel kan deze vernedering van de vijand alleen als misselijkmakend getoond worden. ,,We zijn onze vijanden respect verschuldigd,'' piept een personage in de film vertwijfeld. Maar de boodschap van de film is dat oorlog altijd leidt tot dit soort excessen; pas nadat hij te ver is gegaan in zijn wraakzucht, beseft Achilles de zinloosheid van de hele strijd. Het voorwendsel om Troje te belegeren wraak omdat Paris Helena heeft geschaakt en in de stad heeft ondergebracht overtuigden hem toch al niet; de leider van deze coalition of the willing, Agamemnon, gaat het in werkelijkheid alleen maar om uitbreiding van zijn macht en empire building. De leiders van deze invasie zijn cynische schoften, hun motieven berekenende verzinsels, en ook de bloedbroederschap tussen de krijgers, die in zoveel andere recente Amerikaanse oorlogsfilms als legitimering van strijd kon gelden, voldoet niet meer. Achilles is uit op eeuwige roem, hij wil dat zijn naam voortleeft, hij wil de World Idol aller tijden worden maar het door hem verminkte lichaam van Hector doet hem inzien hoe hol en destructief die droom is.

Je ziet dat lichaam, en je ziet ook het verdriet van de nabestaanden en de wanhoop van krijgers die een oorlog moeten voeren waarin ze zelf niet meer geloven. Zo gezien is Troy misschien wel een veel effectievere anti-Bush film dan alle retoriek waar Michael Moore mee voor de dag kan komen. De film slaagt er niet in de Trojaanse oorlog voor de hedendaagse bioscoopbezoeker te rechtvaardigen, omdat het naast de persoonlijke gevechten met speer en zwaard, ook de verminkte lichamen moet laten zien. Tegen die ontluistering is geen ideaal opgewassen. Alleen mensen die hun angstwekkende morele zelfgenoegzaamheid voor standvastig idealisme aanzien, zoals de schrijfster Carl Friedman, lukt het nog om zo'n oorlog als ,,een adembenemend experiment'' te zien. Over de stapel lijken kijken zulke mensen heen, want aan de horizon gloort het ideaal van democratie voor de Arabische wereld, die immers ,,de aansluiting met de twintigste eeuw heeft gemist.''

Maar de lijken tellen wel daar zijn we nu eenmaal beschaafde mensen voor geworden. Voor de invasie van Irak kon je regelmatig horen dat we te wereldvreemd waren geworden om nog oorlog te voeren, te sentimenteel vooral; waar gehakt wordt, vallen spaanders, toch? Maar dat soort argumenten kon geloofwaardig klinken, omdat er nog geen dode was gevallen omdat het dood en verderf van de echte oorlog even onwerkelijk was als een zelfmoord op het spoor tussen Antwerpen en Brussel. Nu de virtuele doden echte onttakelde lijken zijn geworden, nu we beelden van de excessen zien die in iedere oorlog onvermijdelijk zijn Amerikaanse soldaten steken lachend hun duim op boven het lichaam van een Irakees die in gevangenschap om het leven is gekomen, een Amerikaanse jongen van zesentwintig wordt als wraak voor het oog van de camera onthoofd moeten de idealen van deze oorlog tegen het licht worden gehouden. Voorstanders van de invasie van Irak, zoals Tony Blair, voerden uiteindelijk humanistische motieven aan om eigenhandig ten strijde te trekken; het zijn diezelfde motieven die de rechtvaardigheid van die oorlog nu in twijfel trekken. We kunnen nu eenmaal niet nu eens humanistisch zijn, en dan weer nietsontziend. De resultaten tot dusver anarchie, terreur van een nieuwe, nog sterker gemotiveerde generatie terroristen, een fundamentalistische brandhaard, een uitzichtloze bezetting of overhaaste terugtrekking, het blijvende gezichtsverlies van de enige overgebleven wereldmacht ze zijn nauwelijks te overzien. Maar het is voor ons ook een morele kwestie: waarom heeft de Nederlandse regering blindelings de ramkoers van de Verenigde Staten gesteund? De pragmaticus in jezelf is geneigd de ethische discussie over onze motieven op de lange baan te schuiven: we zitten daar nu eenmaal, eerst maar eens zien dat we er goed wegkomen. Maar de eerste Nederlandse soldaat is gesneuveld, er is een echte dode en dat betekent dat de discussie over de rechtvaardiging van de invasie van Irak nu pas echt gevoerd zal moeten worden. Er zijn parlementaire enquêtes voor minder ingesteld.