DNA-test ontrafelt hondenrassen

De genetica verdeelt hondenrassen in vier hoofdgroepen. Naast een handvol oude rassen zijn er de jacht-, schaaps- en vechtrassen die de afgelopen 200 jaar hun vorm kregen.

DE GENETISCHE vingerafdruk van een hond-met-stamboom bepaalt onomstotelijk het ras waar het dier toe behoort. Een hondenkenner doet dat op het oog, maar onderzoekers van de universiteit van Washington in Seattle hebben een genetische test gemaakt, waarmee ze 85 hondenrassen van elkaar kunnen onderscheiden (Science, 21 mei).

Er zijn overigens meer dan 400 rassen in de hondenwereld beschreven, waarvan de Amerikaanse kynologische vereniging er 152 heeft erkend. Alleen de Groenendaler en de Tervurense herdershond (twee Belgische herders) zijn ononderscheidbaar met de ontwikkelde methode. De onderzoekers troosten zich met de gedachte dat die rassen alleen in hun haarkleur verschillen (de Groenedaler is zwart; de Tervurense herder heeft de bekende geel-zwarte herdershondtekening). De Europese en Japanse kynologenclubs beschouwen de twee rassen als varianten van de Belgische herder. Alleen de Amerikanen onderscheiden twee verschillende rassen.

De genetische analyse van de hondenrassen haalt ook enkele reputaties onderuit. De Federation Cynologique Internationale onderscheidt tien rastypen, waarvan één de `spitsen en oertypes' omvat. Het zijn honden die ``teruggaan op oude, soms al duizenden jaren bestaande, rassen en typen,'' schrijft de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied bij de rassenbeschrijving op haar website. Maar voor de Noorse elandhond, enkele Italiaanse `oerrassen' en bijvoorbeeld de faraohond is dat niet waar. Die honden zijn recent teruggefokt, schrijven de onderzoekers.

Enkele Chinese en Japanse rassen (bijvoorbeeld de Chow-chow, Akita en Shiba Inu), de Afrikaanse Basenji en de Siberische husky zijn wel ouder dan alle andere rassen. De meeste rassen zijn vanaf ongeveer 1800 ontstaan. Toen ontstonden er fokverenigingen die raskenmerken beschreven en stambomen bijhielden. De nu bekende rassen ontstonden uit de toen gangbare gebruikshonden die onderling veelvuldig werden gekruist. Die praktijk is ook nog terug te vinden. Afgezien van de echte oerhonden zijn er genetisch drie hondengroepen onderscheidbaar: de herdershonden, de jachthonden en de militaire en politiehonden (de vecht- en waakhonden). Die laatste groep bestaat uit meestal grote rassen als de mastiffs, de Berner sennenhond, Dogo canario, de bulldogs en de boxer. Onverwacht valt ook de Duitse herder voluit in die groep van militaire honden, in tegenstelling tot de Belgische herders die op grond van de genetica bij de schaapshonden terechtkomen.

De onderzoekers gebruikten voor hun onderzoek de DNA-basenvolgorde in 96 microsatellieten. Microsatellieten (of: short tandem repeats) zijn korte DNA-volgorden, verdeeld liggend over alle chromosomen, waarin volgordes van twee tot zes basenparen zich steeds herhalen. De basenvolgorde van de herhalingen en het aantal herhalingen dat achter elkaar ligt is hoogst individueel bepaald. In opeenvolgende generaties muteren de microsatellieten ook sterk. De 96 gebruikte microsatellieten werden willekeurig gekozen uit 1596 bekende microsatellieten die tot op heden bekend zijn in het genoom van de hond. Daarnaast gebruikten de onderzoekers voor hun raskarakterisering 75 single nucleotide polymorphisms (SNP's). SNP's zijn veelvoorkomende variaties van één basenpaar. Een SNP kan bijvoorbeeld bij één procent tot wel vijftig procent van een populatie worden gevonden. Veertien van de gebruikte SNP's waren specifiek voor een hondenras. De onderzoekers analyseerden DNA van vier honden van ieder van de 85 gekarakteriseerde rassen. De honden waren raszuiver en hadden geen gemeenschappelijke ouders en grootouders. Een statistisch computerprogramma rangschikte de kenmerken van de microsatellieten en de SNP's zo dat daarna van vrijwel iedere raszuivere hond die tot één van de 85 rassen behoorde het ras was te bepalen. Deze DNA-vingerafdruktechniek komt in grote lijnen overeen met de technieken die forensische labs gebruiken bij de karakterisering en identificatie van daders die sperma, bloed, haren of weefsel op de plaats van hun misdaad achterlieten.

Honden hebben 78 chromosomen met daarop DNA-moleculen met 2,4 miljard basenparen. Honden hebben daarmee meer chromosomen en minder basenparen dan mensen. Die hebben 46 chromosomen in iedere celkern, met daarop DNA-moleculen met een totale lengte van 2,9 miljard basenparen die de erfelijke code bepalen. Ongeveer 22 procent van het hondengenoom (643 miljoen basen), verdeeld over honderdduizenden fragmenten, is vrijwel base voor base gelijk aan DNA-fragmenten van de mens. Van die blokken met geconserveerde volgorden (CSB's) delen hond en mens er veel meer dan mens en muis. Muis, mens en hond delen 7 procent van hun genoom met identieke CSB's. De helft ervan ligt níet op genen. Wat weer eens aangeeft dat ook veel van het niet voor genen coderende DNA (bij de mens is dat 90% van het DNA) van levensbelang is. Waarschijnlijk karakteriseren die gemeenschappelijke CSB's de zoogdieren tot zoogdier.

Een belangrijk doel van het genetisch karakteriseren van hondenrassen is het doen van onderzoek naar de 360 genetische ziekten die bij de hond bekend zijn en die ook bij de mens voorkomen. Van de hond is goed bekend welke rassen wel en welke niet van een erfelijke aandoening te lijden hebben. Van rashonden zijn vaak de voorouders van vele generaties bekend. Ook zijn de honden van drie of zelfs meer generaties vaak nog in leven. Dat vergemakkelijkt het onderzoek naar ziektemechanismen.

Honden zijn bovendien een veelgebruikt proefdier voor het testen van geneesmiddelen en ook wordt gentherapie vaak op hen uitgeprobeerd voordat het bij mensen wordt toegepast.