De ware wandelaar is een verlicht heerser

Hoe wandelt de wandelaar? En waarom wandelt hij? Of zij? Arnon Grunberg over het hermetisch universum van de wandelaar, en de stukjes van Joyce Roodnat over wandelen. `Met gezelligheid heeft wandelen niets te maken.' Een voorpublicatie

Zo nu en dan moet een mens zich van A naar B begeven. Hiervoor kan hij gebruik maken van een auto, een vliegtuig, een tram, een bus, een fiets, een step, een slede, een helikopter, een metro, paard en wagen, om maar een paar mogelijkheden te noemen. Hij kan ook te voet gaan. Dat laatste lijkt op wandelen, maar wandelen is toch iets heel anders.

De wandelaar wandelt zonder dat daar een dwingende reden voor is, het gaat hem slechts om het lopen zelf, misschien ook om het bekijken van wat hij onderweg zoal tegenkomt, maar dat is nooit het hoofddoel. Anders zou hij geen wandelaar zijn maar een vlinderverzamelaar of een ornitholoog. Het wandelen is ook nooit een excuus om op een pittoresk plekje pannenkoeken te eten of poffertjes, hoewel het goed mogelijk is dat de wandelaar zijn wandeling onderbreekt voor poffertjes of een tosti, maar dat gebeurt vanuit een plotselinge opwelling en is niet van tevoren bedacht.

De wandelaar wandelt op elk schoeisel, heeft geen stok bij zich en al helemaal geen gereedschap dat gebruikt wordt door professionele bergbeklimmers. Hij wandelt nooit in grote groepen, drie is eigenlijk het maximum tenzij hij ongelukkigerwijze beschikt over aan aanzienlijke kinderschare. Zie hiervoor ook de film The Sound of Music. Eigenlijk wandelt men alleen of met zijn tweeën, daarboven wordt het al snel gedoe.

VERARMDE ADEL

Wandelen, men is gewaarschuwd, is bij uitstek een activiteit voor de bourgeoisie. Wellicht treft men hier en daar op de wandelweg een aristocraat in wandelkostuum aan, maar in dat geval kan men er bijna zeker van zijn te maken te hebben met verarmde adel.

Het wandelen is een spel waarbij de wandelaar zelf de spelregels heeft ontworpen en die halverwege ook nog kan wijzigen. Hoewel beslist niet alle wandelaars autisten zijn, noemen wij het universum van de wandelaar: het autistische universum.

Tijdens de wandeling valt alles op zijn plaats, de orde is volmaakt, niets van buitenaf kan deze orde verstoren, de wandelaar heerst over zijn universum, omdat hij, zo meent hij, dat universum zelf heeft ingericht, of op zijn minst, omdat het gehoorzaamt aan zijn wetten. Lawaai van snelwegen, regen, een pad dat veranderd is in een beekje, doet er allemaal niet toe, de wandelaar kent slechts één vijand: andere wandelaars.

Jawel, heel af en toe mag hij iemand op zijn pad tegenkomen, maar zodra het er te veel worden, luidruchtige families, mannen met honden (een ware wandelaar heeft nooit een huisdier bij zich), groepen die vrolijke liederen zingen, schoolklassen, bejaardentehuizen bezig aan een uitstapje, zodra hij iets dergelijks tegenkomt, verandert hij zijn plannen en zoekt een alternatieve route, of, in het ergste geval, ziet hij van de wandeling af.

Wanneer de wandelaar aan de slag is met een wandelkameraad, dit is heel belangrijk, dan lopen zij nooit en te nimmer naast elkaar. De een loopt vooruit, de ander volgt. Echte gesprekken zijn uit den boze, maar af en toe kan er wel iets van communicatie plaatsvinden. Bijvoorbeeld: `zie je dat?' Of: `we zijn al heel lang geen rode stip gepasseerd, volgens mij lopen we verkeerd'. Of: `dit is geen pad, dit is een mesthoop'.

Mocht er gewandeld worden in heuvels of bergen en de ene wandelkameraad heeft hulp nodig, dan verleent de sterkere wandelkameraad die altijd, en zonder enige aarzeling. Maar zodra die hulp niet meer nodig is, dient men er zorg voor te dragen dat er minstens vijf meter afstand zit tussen wandelkameraad 1 en wandelkameraad 2.

EEN AANHANGSEL

Met gezelligheid heeft wandelen niets te maken, met afzien ook niet. Men is alleen met zijn wandeling, en toch niet helemaal alleen, want vijf meter verderop bevindt zich een aanhangsel.

Nooit en te nimmer mag de wandelaar pochen over zijn prestaties, dat laat hij over aan bergbeklimmers en sportlieden. Picknicken is eigenlijk ook uit den boze, net als rugzakken, de wandelaar heeft vrijwel niets bij zich, hij gaat ervan uit dat hij onderweg wel wat eetbaars tegenkomen.

Een wandelkaart is toegestaan, en een krant is eigenlijk ook onmisbaar.

De wandelkaart dient de avond voorafgaand aan de wandeling grondig bestudeerd te worden.

Je hebt twee soorten wandelingen. Een gaat van A naar A, de tweede gaat van A naar B. De eerste wordt ook wel een rondwandeling genoemd. Dit is een inferieur soort wandeling en de ware wandelaar denkt over de rondwandeling als een romanschrijver over een mislukte alinea.

Met behulp van de wandelkaart mag men, ja moet men zelfs, indien nodig, afwijken van de routes. Rode stippen mogen worden afgewisseld door gele kruisen en zwarte vierkanten, mits men op die manier sneller van A naar B komt. Want de wandelaar wil wel degelijk binnen zijn mogelijkheden zo snel mogelijk van A naar B komen, hij is niet gek.

Over wandelen schrijven is, zoals uit dit alles moge blijken, niet eenvoudig, waarschijnlijk bijna net zo moeilijk als schrijven over een gelukkige familie die van begin tot eind gelukkig is. De wereld van de wandelaar is nu eenmaal een hermetische, hermetischer dan de meest hermetische poëzie, dring daar maar eens binnen. Joyce Roodnat schrijft al bijna twee jaar over wandelen voor NRC Handelsblad. En wie haar stukjes leest zal veel van mijn theorie bevestigd zien.

Zo noteert zij in het verslag over een wandeling van Baarn naar Hoorneboegse Heide: ,,Ik trotseer de grijns van man, ik wil met het Paleis op de foto.''

De lezer begrijpt dat Roodnat wel degelijk een wandelkameraad heeft, een schepsel dat zij de naam `man' heeft gegeven, maar de taak van man blijft beperkt tot het fotograferen van Roodnat op plekken waar zij dat wil, voor het paleis van Soestdijk bijvoorbeeld. Ik kan het niet bewijzen, maar ik durf te wedden dat wandelkameraad 2, man, Roodnat op vijf meter afstand volgt en zich zal hoeden dichterbij te komen. Een ware wandelkameraad weet dat afstand houden een vereiste is voor een geslaagde wandeling.

Over dezelfde wandeling lezen wij iets verderop: ,,Aangelegde romantiek is ook romantisch, wie dat niet ziet is zielig.''

De lezer vermoedt dat man het gewaagd heeft over een aangelegd loofbos te beweren dat dat niet zo romantisch is, maar dat had hij beter niet kunnen doen, dat zal hem heugen.

Wat romantiek is bepaalt Roodnat, en dat komt de beschrijvingen van haar wandelingen ten goede.

Een ware wandelaar is een verlicht heerser in het diepst van zijn gedachten.

OP WEG NAAR HET EINDE

Hier en daar is bij Roodnat sprake van een andere wandelkameraad dan het schepsel genaamd man, een zekere Maria-die-van-bloemen-weet. De naam zegt genoeg, de lezer denkt met Roodnat: kan deze Maria niet eens ophouden haar kennis over bloemen te spuien? Wij zijn hier wel om te wandelen, en niet op een botanisch uitje.

Ook komt af en toe een wandelkameraad voor die eenvoudig `dochter' wordt genoemd. Lees mee: ,,Dochter staat abrupt stil. Ze strekt haar 15-jarige armen en haar dito lijf. Effe ruiken, legt ze uit. Ze heeft gelijk, dit rijke geboomte met mos en varens en zand en losse blaren geurt als een woest parfum.''

Let op het zinnetje, `ze heeft gelijk'. Niets irriteert de wandelaar meer dan te worden opgehouden door geuren die niet de moeite waard zijn om op te snuiven.

Een opmerkelijke plaats in Roodnats wandelstukjes is weggelegd voor het weer, of misschien moet ik wel zeggen de hemel:

,,De hemel is bestreept met roze, het grijs trekt zich terug tot een langwerpige donderwolk. Het blijft bij dreigen.''

En in een ander stukje:

,,De hemel weet niet wat hij wil. In het noorden hangen brede zware wolken in de kleur van verlepte viooltjes. In het zuiden verspreidt de zon agressief schel licht.''

Wanneer de hemel niet weet wat hij wil en de zon agressief licht verspreidt is Roodnat bereid haar wandelkameraad, of ze nu Marie-die-van-bloemen-weet, man of dochter heten, te vergeven.

De wandelaar is nu eenmaal op weg naar het einde, daar doet hij verder niet moeilijk over.

Of zoals Roodnat schrijft: ,,We verlaten het bos en belanden bij Gasthof zur Traube, dat blijkens een oorkonde de 26ste plaats inneemt op de lijst van de meest romantische hotels van Duitsland.''

Deze tekst van Arnon Grunberg is opgenomen als voorwoord in het boek `100 x Aan de wandel' waarin honderd stukjes gebundeld zijn uit de wandelrubriek die Joyce Roodnat wekelijks voor deze bijlage schrijft.

Het boek `100 x Aan de wandel' verschijnt deze week, en wordt aanstaande vrijdag, 28 mei, op Kasteel Groenveld gepresenteerd.