De nieuwe Van Kemenade

In een bijdrage op de opiniepagina van deze krant stelde de vroegere hoogleraar Onderwijskunde Van Kemenade vorige week een probleem aan de orde. Een zwaarwichtig probleem uiteraard, want Van Kemenade is natuurlijk niet de eerste de beste. De oud-minister van Onderwijs uitte kritiek op het kabinet en het parlement omdat zij een loopje nemen met onze grondwettelijke waarden. Het vroegere prominente Kamerlid van de PvdA, ooit de gedoodverfde opvolger van partijleider Den Uyl, meent dat er wordt gemarchandeerd met de Onderwijsvrijheid zoals die sinds 1917 in de Grondwet is vastgelegd. Voor het stichten van een nieuwe school wordt nu namelijk de extra eis gesteld dat tenminste twintig procent van de leerlingen geen onderwijsachterstand mag hebben.

De vroegere directeur van het Nijmeegse onderzoeksinstituut ITS zet in zijn opiniebijdrage uiteen dat in het verleden aan protestants-christelijke of katholieke schooloprichters een dergelijke voorwaarde nooit werd gesteld. En, voegt hij daaraan toe, ze zullen daar inmiddels ook geen last meer van hebben want in die kringen worden nog maar weinig nieuwe scholen opgericht.

De vrijheid van onderwijs wordt dus ingeperkt, aldus de oud-burgemeester van Eindhoven. Als argument daartoe wordt aangevoerd dat achterstand moet worden voorkomen en integratie in de Nederlandse samenleving moet worden bevorderd. De vroegere voorzitter van het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam wijst erop dat het de huidige regering hier klaarblijkelijk niet om te doen is, maar dat de aanvullende eis bedoeld is om te voorkomen dat er nieuwe islamitische scholen worden opgericht en dat dus sprake is van een beperking van de onderwijsvrijheid. Op grond van al deze overwegingen komt de vroegere Commissaris van de Koningin van Noord-Holland tot de conclusie dat deze aantasting van de onderwijsvrijheid onmiskenbaar afbreuk doet aan een belangrijke democratische verworvenheid in ons land, namelijk het recht van ouders om scholen te stichten die, binnen grenzen van te stellen deugdelijkheidseisen, door de overheid worden bekostigd, en waarin hun kinderen naar hun eigen geloofs- of levensovertuiging kunnen opgroeien. Als toetje herinnert de huidige Minister van Staat de lezer eraan dat het gaat om een verworvenheid waartoe de SDAP in de zogeheten pacificatiecommissie van 1917 mede heeft besloten. En dus roept hij zijn partijgenoten op dit socialistische cultuurgoed, het sacrosancte artikel 23, te beschermen tegen de beeldenstormers onder aanvoering van het CDA.

Een man van principes, zo presenteert zich deze Van Kemenade. Déze Van Kemenade, want in het verleden hebben we hem wel anders meegemaakt: als een opportunist die zich weinig gelegen liet liggen aan democratische principes. Maar buiten dat is het nog steeds de oude vertrouwde Van Kemenade. Met een omhaal van woorden en niet ter zake doende details suggereert hij degelijkheid en volledigheid, en laat intussen onbesproken wat de huidige integratieproblematiek van moslims zo wezenlijk anders maakt dan die in het verleden van katholieken en christenen. Want stel dat indertijd uitsluitend laagopgeleide katholieke ouders hun kinderen op katholieke scholen hadden gedaan en de beter opgeleide katholieken de voorkeur hadden gegeven aan openbare, christelijke of islamitische scholen, had artikel 23 dan ook die zegenrijke, emancipatoire uitwerking gehad waar Van Kemenade nu hoog van opgeeft? Voor Van Kemenade zelf had dit vermoedelijk betekend dat zijn loopbaan zich had afgespeeld binnen het fundamentalistische katholieke bolwerk, de universiteit van Nijmegen. Daarmee had overigens ook dit nadeel zijn voordeel gehad.

Prick@nrc.nl