Brussel ziet vooral consumenten, reizigers en migranten, maar voor kiezers is Europa best onbelangrijk

Politici past enige zelfrelativering in de campagne voor de Europese verkiezingen. Durf te vertellen waar Europa niet over gaat en leg uit waarom het Europees Parlement heel anders in elkaar zit dan een nationale volksvertegenwoordiging.

Ooit iets van Europese politiek in uw dagelijks leven gemerkt? Nee, niet van Europa, maar van Europese politiek, u weet wel, waarvoor u straks in juni weer mag gaan stemmen. Bent u ooit op iets gestuit in uw leven – bij u thuis, in uw familie, op de school of crèche van uw kinderen, op uw werk, in de auto of trein waarmee u elke dag reist, of in het park een stukje verderop waar u graag wandelt – waarvan u dacht: ja, dat is nou typisch iets dat ik aan het Europees Parlement, of aan een van de politieke partijen daaruit te danken heb?

Zo langzamerhand zou dat wel moeten. Immers, luid en duidelijk klinkt, ook deze weken weer, de boodschap dat Europa (best) belangrijk is, dat de invloed van het Europees Parlement sterk is toegenomen, en dat het daarom goed is straks te gaan stemmen.

Op 5 mei, de laatste zittingsdag van het Europees Parlement, meldde voorzitter Pat Cox verheugd dat het parlement een recordaantal wetsvoorstellen had behandeld en zelfs twee richtlijnen van de Europese Commissie (over havens en bedrijfsovernames) had weten te blokkeren.

Het is inderdaad opmerkelijk hoezeer Europa het dagelijks leven van de burger is binnengedrongen, hoezeer nationale en Europese wetgeving vervlochten zijn geraakt, en hoeveel het Europees Parlement aan bevoegdheden heeft gewonnen. Bovendien heeft het parlement zich bewezen als uiterst nuttig en noodzakelijk tegenwicht tegen de andere hoofdrolspelers in de Europese Unie: de Europese Commissie en de Europese Raad van Ministers.

Ten minste zo opmerkelijk is echter hoe onbelangrijk Europa in politiek opzicht is gebleven. De `macht' van Brussel bestaat voor een groot deel uit maatregelen die producten veiliger, diensten prettiger en de omgeving schoner maken. Heel weinig bepaalt ze het antwoord op fundamentele vragen over de inrichting van de samenleving waarover het politieke debat vanouds gaat. Hoeveel verboden en geboden zijn nodig om de vrijheid van de burger te beschermen? Hoeveel sociale zekerheid is vereist voor zijn bestaanszekerheid? Hoeveel belastingen moeten worden geheven om de staatstaken goed te vervullen, zonder dat de financiële vrijheid van de burger wordt belemmerd? Hoeveel aanpassing van nieuwkomers aan de samenleving mag worden gevraagd om die samenleving goed te laten functioneren? Het zijn allemaal vragen die bestand zijn gebleken tegen Brusselse bemoeienis.

Europa benadert zijn burgers als consument, reiziger en migrant, maar niet als kiezer, met uitzondering dan van die ene dag in juni, eens in de vijf jaar. Via Europa is geregeld dat ziektekosten die in het buitenland worden gemaakt, in Nederland kunnen worden gedeclareerd, en dat er gratis kan worden gepind. Velen zijn Europa daar dankbaar voor. Maar de politieke hartstocht gaat zitten in de vraag hoe hoog de zorgpremie voor iedereen mag worden, of de rollator uit het verzekeringspakket kan, en hoe wachtlijsten kunnen worden opgelost. Met de beslissingen daarover heeft Europa weinig of niets te maken.

Dat studenten tegenwoordig overal in Europa kunnen studeren is prettig – vooral voor die studenten. Toch is er een andere kwestie die de politiek splijt en veel meer studenten bezighoudt: hoe hoog mag het collegegeld worden, en hoe scherp mogen universiteiten selecteren? Hier gaan de Tweede en Eerste Kamer over, níét het Europees Parlement.

De Europese Unie waakt over de kwaliteit van de koplampen van de auto en heeft de uitstoot van uitlaatgassen van diezelfde auto aan strenge regels onderworpen. Maar de files en de nationale politieke discussies hierover worden er niet minder om.

Europa zorgt ervoor dat er geen schadelijke stoffen in het speelgoed van uw kinderen zitten. Er bestaat zelfs een Europees keurmerk voor: CE, geen afkorting van een of andere Europese politieke partij, maar van Conformité Européenne, dat ook op de achterkant van veel technische apparaten te vinden is. Met politiek heeft het echter weinig te maken. Nederland bepaalt of iedereen recht heeft op kinderopvang met een navenante vergoeding voor ouders, zoals GroenLinks bijvoorbeeld graag wil, en of er genoeg crèches zijn.

Zelfs voor de euro, spil van het dagelijks leven, geldt: de munt is er, maar kan anno 2004 nauwelijks nog onderwerp zijn van politiek debat. De LPF is de enige Nederlandse partij die meedoet aan de Europese Verkiezingen die de munt politiseert door afschaffing voor te stellen, een weinig waarschijnlijk scenario overigens. Bovendien is het opmerkelijk hoe weinig de introductie van de munt invloed heeft gehad op de Europese gezindheid van de burger; en als die er al was, was deze negatief.

En de zogeheten drie-procentsnorm dan, die de begrotingstekorten van de Europese lidstaten die meedoen aan de euro, aan een strenge limiet onderwerpt? Die leidt toch in de praktijk tot bezuinigingen waarvan burgers de gevolgen merken? Dat is waar, maar in de praktijk gaat elk land verschillend met deze norm om. Nederland probeert deze norm te handhaven, mede omdat een klein begrotingstekort een nationaal belang is, bijvoorbeeld om niet al te hoge rentelasten te krijgen die het moeilijker maken de kosten van de vergrijzing op te vangen. Dat was de reden waarom reeds lang voor de komst van de euro de drie kabinetten-Lubbers (1982-1994) ingrijpende bezuinigingen doorvoerden. Bovendien zijn de keuzes die bij de bezuinigingen worden gemaakt, puur nationaal van aard. In dit opzicht lijkt de drie-procentsnorm op veel Europese richtlijnen (zoals het onlangs bekend geworden ladderverbod) die van tijd tot tijd enige opschudding veroorzaken: ze bieden een kader, een norm waarvan de invulling toch vaak weer een nationaal karakter draagt.

Op verzoek van de Britse regering bundelden enige tijd geleden sociale wetenschappers uit diverse delen van de wereld hun bevindingen over de vraag welke voorwaarden de politiek moet vervullen voor een gelukkig leven van de burger. De uitkomsten, onder meer te lezen in het Duitse weekblad Die Zeit van 11 maart jongstleden, zijn instructief voor de politieke mogelijkheden, maar vooral voor de onmogelijkheden van Europa.

Het allerbelangrijkst vinden burgers dat de overheid hun politieke stabiliteit, veiligheid en orde garandeert. Groei van welvaart komt op de tweede plaats, gevolgd door het garanderen van een zekere mate van gelijkheid om spanningen als gevolg van te grote ongelijkheid te voorkomen.

Het bieden van een goede gezondheidszorg wordt ook hoog aangeslagen, gevolgd door het hebben van werk. Democratie wordt ook vaak genoemd. Burgers waarderen het als systeem, aldus de onderzoekers, dat mensen het gevoel geeft dat ze eraan mee kunnen doen als ze dat zouden willen, en als garantie dat wat er besloten wordt, min of meer conform de wens van de meerderheid van de bevolking is.

Om bij het laatste te beginnen: de tragiek van de Brusselse en Straatsburgse politiek is dat ze veel burgers in Europa nu juist níét het gevoel geeft dat ze eraan mee kunnen doen. De grote afstand, de ingewikkeldheid van het Europees bestuur, de onbekendheid van de parlementariërs, de veelheid aan talen, en de (veelal technische) onderwerpen van debat, ze garanderen dat Europese politiek nooit Plato's republiek in actie zal worden. En hoe kan men het geruststellende idee krijgen dat iets in Europa conform de wens van de meerderheid van het volk besloten is, als datzelfde volk – als men al van een Europees volk spreken kan – onoverzienbaar groot is geworden (met sinds 1 mei 330 miljoen kiezers)?

Daar komt nog slecht nieuws voor het Europees Parlement bij. Heel voorzichtig lijkt zich de laatste tijd een politiek debat in Europa te ontwikkelen juist buiten dat parlement om. Het besluit van de Franse regering om het dragen van een hoofddoekje op openbare scholen te verbieden, en de plotselinge beslissing van de Britse premier Blair om een referendum over de Europese grondwet uit te schrijven, veroorzaakte, behalve in de eigen landen, ook in andere lidstaten een levendig politiek en maatschappelijk debat. Nationale politici en opinieleiders uit verschillende Europese lidstaten reageerden op elkaar via toonaangevende kranten en tv-stations. Leden van het Europees Parlement hadden het nakijken.

Het bieden van politieke stabiliteit en welvaart, als eerste genoemd in het sociaal-wetenschappelijk onderzoek voor de Britse regering, behoort tot de grootste historische verdiensten van de Europese samenwerking. Een op de vijf banen in Duitsland is aan Europa te danken, memoreerde minister van Buitenlandse Zaken Joshka Fischer onlangs nog eens in een kranteninterview; en voor Nederland met z'n open economie geldt dat waarschijnlijk des te sterker. Probleem is alleen dat na de sterke toename van de onderlinge welvaartsverschillen door de laatste uitbreiding per 1mei, steeds minder Europeanen deze verworvenheden aan de Europese integratie toeschrijven. Sterker nog, die integratie wordt soms zelfs als bedreiging van die welvaart gezien, zoals bleek bij de discussie over de vermeende toevloed van goedkope werknemers uit Oost-Europa. Verder gelden voor welvaart en banen de beurskoersen tegenwoordig minstens zo sterk als referentiepunt als het functioneren van de Europese interne markt.

Voor orde en stabiliteit zijn de ogen gericht op de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie, en veel minder op Gijs de Vries, coördinator van de Europese terrorismebestrijding. Niemand zal tegenspreken dat terreurbestrijding een typische zaak voor Europa is. Toch blijft dit voor heel veel mensen een abstracter onderwerp – zelfs na de bomaanslagen in Madrid in maart – dan de één of twee agenten die dagelijks al dan niet in dat verdachte parkje om de hoek surveilleren.

Wat betekent dit alles nu voor de Europese verkiezingen? Allereerst zou enige zelfrelativering in de verkiezingscampagne geen kwaad kunnen. Dat begint met de erkenning dat het na 25 jaar directe verkiezingen voor het Europees Parlement niet gelukt is een gepassioneerd politiek debat op Europees niveau te ontwikkelen, en dat de kans daarop de komende 25 jaar, in een Unie van bijna 30 lidstaten, betrekkelijk gering is. Durf te vertellen waar Europa niet over gaat, in plaats van te suggereren, zoals SP, LPF en sommige VVD'ers graag doen, dat Nederland een provincie van Brussel aan het worden is. En neem de tijd om uit te leggen waarom het Europees Parlement, ondanks zijn toegenomen macht, heel anders in elkaar zit dan een nationale volksvertegenwoordiging.

Qua zelfbeperking deed oud-Europarlementariër voor D66, nu Tweede-Kamerlid Lousewies van der Laan onlangs een interessant voorstel. Volgens haar zou het Europees Parlement het voortouw moeten nemen bij het voorkomen van overbodige regels, bijvoorbeeld door een parlementaire commissie in te stellen die elk voorstel van bijvoorbeeld de Europese Commissie toetst aan het subsidiariteitsbeginsel (regel alleen op Europees niveau wat echt een Europese aanpak vereist). Daarnaast zouden in wetgeving zogeheten vervaldata opgenomen kunnen worden – een soort uiterste houdbaarheidsdatum waarna weer nieuwe regels nodig zijn – of niet. Op die manier kan volgens Van der Laan het Europees Parlement de eigen geloofwaardigheid versterken.

Daarnaast zou duidelijk moeten worden waar het Europees Parlement wél goed in is, respectievelijk zou moeten zijn: het controleren van de macht. In de campagne zouden vragen aan de orde kunnen komen als: Wat zou er zijn gebeurd als het Europees Parlement er níét was geweest? Zou de burger slechter af zijn geweest indien Europese Commissie, Europese raden van ministers en het omvangrijke, ondoorzichtige netwerk van experts en lobbygroepen uit de 15 lidstaten, hun gang hadden kunnen gaan, ongehinderd door het parlement? Zo ja, op welke manier dan? Hoe heeft het Europees Parlement dat voorkomen? Welke politieke partijen binnen het Europees Parlement hadden daarbij het voortouw? Welke ontliepen hun controlerende verantwoordelijkheid?

Heldere antwoorden op dit type vragen leveren straks op 10 juni zeker geen opkomst van 80 procent op. Maar ze oogsten misschien wel het begrip en respect van de kiezer, die thuis, in de trein of de sportschool vergeefs zoekt naar herkenbare gevolgen van Europese politiek.

Kees Versteegh is redacteur van NRC Handelsblad.