Bang van je broertje

Mijn grote broer. Met zijn twee meter torent hij boven iedereen uit. Intelligent, slim en lief. Te lief eigenlijk. En ziek. Ziek in zijn hoofd.

Ik weet nog dat hij een tweede zelfmoordpoging ondernomen had. Of was 't zijn derde? Hij lag aan slangen, in een subcoma. Hij kwam bij en vroeg aan mij of ik dat ook hoorde: `Hoor je dan geen stemmen? Ze praten over mij.' Ik was een bijna-puber, werd een beetje bang van hem. Maar ik wist mij altijd te beheersen, want het is je grote broer. Op zijn beste vriend verliefd worden, in zijn slaapkamer vieze boekjes vinden, zo hoorde dat. Hij rook naar drugs en sliep uit, ook in schooltijd. Op een dag was hij weg. Dwalen door Amsterdam, zijn stereo verkocht.

Hij is overal weggestuurd; uit het leger, uit de verslavingsklinieken. Weggestuurd zonder dat mama hierover was ingelicht. Ook zij kreeg de schuld van zijn ziekte. Tot hij langzaam wegkwijnde in Den Dolder, over het spoor, verstopt in de bossen.

Op zijn kamertje was het bedompt, want het raam bleef dicht. `Er lopen hier mensen rond die mij gaan vermoorden. Ik heb vroeger veel rottigheid uitgehaald, Katrien. Ze willen wraak nemen. Ik kan nooit meer terug naar Utrecht.' En weer draaide hij een sjekkie met zijn vergeelde vingers.

Na jaren verpieteren werd Den Dolder gesloten. Grote broer ging naar Wolfheze, weer een spoor over. Betere medicatie, zelf koken en werken bij de plantsoenendienst. Hij kikkerde op, kreeg weer licht in zijn ogen. Of lag dat nou aan de cocaïne? Van euforie naar rust naar het niet meer slikken van medicijnen. Als iets te goed werkt, zie je de noodzaak niet meer om het gebruiken. Hij is namelijk niet ziek. Hij kan ook wel leven zonder die pillen – behalve seresta's, die heb je nodig – en bovendien snapt de psychiater er toch niets van. Wat schrijft die toch eigenlijk op?

Weer de straat op en nu voor langer. De nachtopvang, nieuwe vrienden die hem laten logeren. Waar je samen mee rookt, soms ook heroïne. Hij loopt, loopt en loopt. Hij is bruin van de zon, maar wordt steeds magerder. Zijn pupillen zijn speldenknopjes. Tot hij de Here ontdekt. De Pinkstergemeente lijkt hem met open armen te ontvangen. Hij wil gedoopt worden. En hij begint als een ware predikant zijn nieuwe geloof te verkondigen. Ik drink mijn koffie en kijk hem spottend aan. `Denk je dat ik gek ben, of zo?' Hij moet lachen.

Jezus verdwijnt weer. Hij besluit om zijn opgespaarde pillenvoorraad in een keer te nemen. Maar weer wordt hij op tijd gevonden. Hij loopt weg uit het ziekenhuis, met het infuus nog in zijn hand. Ik vind hem. Ik breng hem terug. De assistent-psychiater wil niet komen, het is zondagavond. Studio Sport, vermoed ik. Geen opname. Ik ben laaiend. Mijn hart breekt. Grote broer vindt het vooral zo zielig voor mij. Hij wist het al, het systeem stinkt. Ik weet het nu ook maar al te goed. Voor een lieve grote broer met achterdocht en wantrouwen is geen plek.