Vlaamse poëzie

In zijn analyse van de benauwende situatie waarin de Vlaamse poëzie zich bevindt (Boeken, 14.05.04), gewurgd als die zou zijn door een academisch-ethisch-filosofische postmoderne poëziepolitie, onder aanvoering van Dirk van Bastelaere, doet Ilja Leonard Pfeijffer ook wat uitspraken over de gedragswijze van de jury van de VSB-poëzieprijs die ik, als voorzitter van die jury, graag zou becommentariëren.

Ik prijs mij op zijn minst gelukkig dat Pfeijffer erin slaagt Martin Reints, Robert Anker en mij in één adem te noemen, want ik hou zeer van hun beider werk. Waarom dat verband gelegd moet worden in een aan ons toegeschreven opvatting dat poëzie het `licht imbeciele zusje van de filosofie' zou zijn, ik heb geen idee waar Pfeijffer dat vandaan haalt. Wie op vrijdag 14 mei gehoord heeft wat ik hierover gezegd heb bij de uitreiking van de VSB-poëzieprijs, weet dat ik bij poëzie niet allereerst aan filosofie of quasi-filosofie denk.

In het stuk van Pfeijffer passeren alle mannelijke juryleden de revue. Er was er onder hen kennelijk maar één die deugde: Thomas Vaessens. Aan diens heilzame aanwezigheid zou het te danken zijn geweest dat de VSB-prijs naar Mustafa Stitou ging. Allereerst moet gezegd dat de jury unaniem was, dus dat niet één jurylid verantwoordelijk is voor de toekenning van deze prijs. Is het bovendien niet vreemd dat Pfeijffer, die een verbod wil uitvaardigen op het gebruik van het beladen woord `postmodernisme', juist een van de auteurs van het recent verschenen Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen aanwijst als degene die het voor een anders getoonzette poëzie zou hebben opgenomen? Dat in dat boek Pfeijffers bête noire, Dirk van Bastelaere, uitgebreid (en waarderend) besproken wordt, maakt de suggestie nog ongeloofwaardiger.

    • Ad Zuiderent